dinsdag 25 november 2008

Ik weet niet wat ik met mijn leven moet doen! Niets interesseert mij. Hoe kan ik iets vinden dat mij interesseert?

De Spaanse filosoof Ortega y Gasset zei: “Zo vele dingen interesseren ons niet omdat zij in onze geest geen bodem vinden waarop zij kunnen gedijen. Wat wij moeten doen is de ruimte in onze geest vergroten zodat veel meer ideeën er een plaats kunnen vinden.”

Wij moeten niet zoeken naar iets wat ons kan interesseren, wij moeten leren geïnteresseerd zijn. Alles in het leven is immers interessant: keien, insecten, planten, dieren, mensen, de aarde, de sterren, de kosmos, wetenschap, techniek, geschiedenis, politiek, kunst… De wereld is gewoon boordevol interessante dingen. Het is aan ons om een geest van openheid en verwondering te cultiveren in plaats van te verwachten (of te eisen) dat het leven iets zal doen om ons te interesseren of te amuseren. Het is niet aan het leven om aan te tonen dat het de moeite waard is, het is aan ons om ons open te stellen voor het leven. Dingen worden interessant als je de tijd neemt om ze van naderbij en met aandacht te bekijken. En aandachtig zijn is gewoon een ander woord voor liefde. Alles wordt interessant als je er je liefde aan geeft.

Als we gewoon bewust worden en met een open geest (d.i. met mindfulness) om ons heen kijken, is alles verbazingwekkend, mooi, fascinerend en mysterieus, en kunnen we vervuld zijn van geluk omdat we gewoon mogen deelnemen aan het ongelooflijke en wonderlijke proces van het leven. Zoek niet naar het wonder, wees verwonderd!

zaterdag 25 oktober 2008

Hoe kan ik dan met angst omgaan?

Praktisch komt het erop aan vriendschap te sluiten met onze angsten en dat kunnen we doen door in te zien dat angst voortkomt uit oude vertrouwde verhalen die we verzonnen hebben om onszelf te beschermen – verhalen die we als kind geloofden maar die voor ons als volwassenen niet meer opgaan. Angst is (net als hoop) het gevolg van een verwachting, een interne projectie. In het geval van angst gaat het om zogenaamd “negatieve” gedachten, beter te omschrijven als “neen”-gedachten. Als we angstige gedachten logisch dóórdenken, helemaal tot het einde, in plaats van bij een “neen!” te blijven stilstaan, ontdekken we dat de meeste hun kracht en hun greep zullen verliezen. Als we bij elke stap verder denken (“en wat dan nog?”) dan wordt alles gewoonweg komisch en lost de angst op. Tegenover de angst van de projectie is de realiteit van dit moment de veiligste plek.

“Ik heb verlatingsangst. Ik ben zo bang dat mijn partner mij zal verlaten.”
“En wat dan?”
“Dan ben ik alleen.”
“En wat dan?”
“Dan ben ik eenzaam.”
“En wat dan?”
“Dan ga ik mij slecht voelen.”
“En wat dan?”
“Dan ga ik misschien de hele dag huilen.”
“En wat dan?”
“Misschien kan ik niet meer ophouden met huilen.”
“En wat dan?”
“Dan krijg ik er vroeg of laat waarschijnlijk toch genoeg van om te huilen en dan word ik moe en ga ik slapen…”

Vaak weet de geest immers niets meer te verzinnen en begint alles absurd te lijken. Wat is er immers om bang voor te zijn? Welkom in de volwassen wereld! Nu we volwassen zijn kan niemand ons echt “in de steek laten”. De enige persoon die ons echt kan afwijzen zijn wijzelf…

Telkens we deze “En wat dan nog?”-methode op onze angsten toepassen, wordt de angst minder groot. Dezelfde methode is overigens ook bruikbaar voor andere emoties, bijv. verdriet. Als wij diep in onszelf en in onze emoties kijken, vinden wij altijd vrede en rust. Maar vaak geven we te snel op en worden we door een “neen!” overweldigd. Angst is dus een onafgewerkte “neen”-gedachte die als het ware ons bewustzijn gijzelt.

Telkens wij voor de angst terugdeinzen, is het gevolg dat de angst groter wordt en dat ons vertrouwen kleiner wordt. De bankrekening van ons vertrouwen wordt kleiner.

Telkens wij voor iets angst voelen maar besluiten het toch te doen, wordt ons vertrouwen groter en wordt de angst kleiner. Onze vertrouwensbankrekening gaat naar boven. Voor de meesten onder ons waren de eerste schooldag, de eerste keer op een grote fiets, de eerste keer in het zwembad, het eerste afspraakje en de eerste kus allemaal beangstigend. Maar toch hebben we het gedaan en daardoor werden ze gemakkelijk.

Niet zelden kunnen mensen maar moeilijk geloven of aanvaarden dat hun zwaarwichtig lijkende probleem, waarvoor ze al zo lang een oplossing zoeken, zo ontnuchterend eenvoudig kan zijn. Vaak hebben mensen, soms met de hulp van therapeuten, naar de “diepere oorzaken” gezocht en kunnen zij maar moeilijk aanvaarden dat die er gewoonweg niet zijn. Zij kunnen niet geloven dat zij zichzelf eigenlijk al zo lang gewoon voor de gek hebben gehouden.

Overigens mag angst niet verward worden met voorzichtigheid. Voorzichtigheid is op een volwassen manier rekening houden met mogelijke (ongewenste) scenario’s die zich kunnen voordoen en die men in het bewustzijn redelijk kan onderzoeken. Het is een inbeelding zonder emotie. Angst daarentegen is een emotie die een redelijk onderzoek juist bemoeilijkt omdat er een alarmsignaal afgaat. Het is reageren alsof de ingebeelde toestand een realiteit was. Een kind kan angstig zijn voor vliegtuigen, liften of tunnels. Een volwassene weet dat reizen met het vliegtuig een risico inhoudt, net zoals het gebruik van liften en tunnels. Hij kent dat risico en aanvaardt dat het deel uitmaakt van het moderne leven, net zoals natuurlijke risico’s deel uitmaakten van het leven van onze voorouders in de natuur.


maandag 20 oktober 2008

Ik word achtervolgd door zwarte gedachten en ik ben vaak angstig of boos. Hoe kan ik die gedachten loslaten?

Gedachten en de daarbijhorende emoties zijn een gevolg van evolutionaire, sociale en theatrale scenario’s die zich in ons afspelen. Wij kunnen niet beletten dat zij in ons ontstaan. Er zijn echter geen gedachten die mensen kunnen “achtervolgen”. Gedachten zijn nooit een probleem. Mensen hebben alleen een probleem als ze hun gedachten verwarren met de realiteit, als ze hun gedachten geloven en voor waar nemen. Dan ontstaan emoties. Emoties zijn reacties op realiteiten. Emoties als reactie op gedachten zijn zinloos. Gedachten zonder emoties leiden tot voorzichtigheid en verstandige maatregelen. Gedachten mét emoties leiden tot angst en paniek, en tot onverstandig gedrag. Hoe meer je inziet dat je niet je gedachten bent maar de waarnemer van je gedachten, hoe minder gedachten in staat zullen zijn je allerlei emoties te geven of ongelukkig te zijn. Gedachten zijn simulaties van de realiteit en zijn bedoeld om de realiteit te onderzoeken, net zoals een piloot leert vliegen in een simulator. Als hij weet dat hij in een simulator zit, kan hij rustig de mogelijkheid onderzoeken zonder bang te zijn om te crashen.

Emoties als angst en boosheid zijn in aanleg uitingen van evolutionaire reacties en mechanismen die in ieder van ons aanwezig zijn. Zij zijn het gevolg van de zogenaamde fight or flight reacties. Elk dier is in wezen angstig omdat angst in de evolutie nuttig was voor de overleving. Dieren worden voortdurend, tientallen keren per dag, in hun overleving bedreigd en alleen dieren die voldoende angstig waren, hebben overleefd. Alle dieren kunnen ook agressief zijn, omdat ook agressie bijdraagt tot de overleving. Dieren hebben immers geen andere mogelijkheden om belangenconflicten over territorium, voedsel, partners, enz. te regelen. Het evolutionaire spel is louter op voortbestaan gericht, niet op individueel welzijn. Veel van wat wij als “elementaire“ menselijke morele eigenschappen beschouwen, komt in de natuur niet voor. Zo zijn gelijkheid en rechtvaardigheid geen natuurlijke eigenschappen maar slavernij, misleiding en uitbuiting wel. Het evolutionaire spel heeft dus niets te maken met onze geestelijke individualiteit en onze echt “menselijke” opvattingen. Het heeft geen morele dimensie en is ook niet bedoeld voor individueel geluk.

Het bewustzijn, dat uniek is voor de mens, is enerzijds een verdere ontwikkeling van deze evolutionaire mogelijkheden, en stelt ons anderzijds in staat deze te overstijgen.
Het bewustzijn heeft van de mens een formidabele overlevingsmachine gemaakt. In tegenstelling tot dieren die niet kunnen overleven als ze uit hun biotoop verwijderd worden, kan de mens inderdaad overal overleven. Dit is een rechtstreeks gevolg van de ongelooflijke menselijke mogelijkheden om te leren. Dieren kunnen alleen uit eigen ervaring leren. De mens kan, dankzij de taal, snel en gemakkelijk uit de ervaring van anderen leren. De mens kan daardoor voortbouwen op de kennis van anderen en kan daar originele oplossingen voor problemen aan toevoegen. Daardoor heeft de mens mogelijkheden waarmee hij ook ongehoord veel onheil kan aanrichten. Hij kan immers ook de verkeerde dingen leren. Hij is onderhevig aan het sociale spel van heersende opvattingen en overtuigingen. Ook dat is dus niet onze echte individualiteit maar is een maatschappelijk spel dat in ons gespeeld wordt…

Onze emoties worden immers niet bepaald door wat zich in de buitenwereld voordoet. Gebeurtenissen in de buitenwereld zijn gewoon feitelijkheden. Onze emoties worden niet bepaald door deze feitelijkheden maar door ons intern proces, met name de manier waarop wij die feitelijkheden in ons bewustzijn ensceneren en betekenissen geven, onze mentale theatralisering, de serene, komische of hysterische symbolisering en dramaturgie in het theater van ons bewustzijn. Elke emotie en elke ervaring heeft een interne structuur. Wie boos is, is boos op een interne voorstelling. Wie angstig is, is angstig vanwege een interne voorstelling. Wie gelukkig is, is gelukkig vanwege een interne voorstelling. Elke emotie en elke ervaring is dan ook een uitnodiging om die interne structuur, dat interne proces beter te leren kennen en dus bewuster te worden. Door het bewustzijn heeft de mens de mogelijkheid tot emotionele intelligentie, d.i. het intelligent omgaan met interne voorstellingen en emoties. Dat betekent niet meer of niet minder dan het in handen nemen van het interne proces, de interne regie, de interne dramaturgie.

Er zijn geen gedachten die mensen achtervolgen, er zijn alleen gedachten die steeds weer terugkeren omdat wij er geen plaats aan gegeven hebben en er ons tegen verzetten. De gedachten die “spontaan” in ons opkomen en die wij doorgaans aan een “ik” toeschrijven, zijn in de meeste gevallen niet-onderzochte uitspraken afkomstig uit de samenleving. Zij doen zich voor in de taal van de samenleving en met de woorden van de samenleving die wij tijdens onze opvoeding geleerd hebben. Gedachten die wij “zwarte gedachten” noemen, zijn gedachten die wij niet willen hebben. Maar juist door onze pogingen om ze niet te hebben, blijven ze terugkomen. Dat waar je aandacht en energie aan besteed, hou je precies in stand. Dat waar je probeert niet aan te denken, is daardoor uiteraard juist in het denken aanwezig (probeer maar eens niet aan een roze olifant te denken). Het is als jengelende kinderen die je wel even het zwijgen kunt opleggen, maar die even later alweer daar zijn en die doorgaan tot ze hun zin gekregen hebben of tot je een andere regeling hebt getroffen die de zaak afsluit. Zolang wij bepaalde gedachten niet hebben dóórgedacht en ze op die manier een plaats hebben gegeven, zullen ze terugkomen. (zie de vraag over angst)

Door zijn bewustzijn heeft de mens de mogelijkheid om zijn echte individualiteit te uiten en het evolutionaire en sociale spel te overstijgen.
De mens kan begrijpen dat zijn echte individualiteit, zijn echte zijn, méér is dan de fenomenen die zich in hem voordoen. Deze fenomenen zijn immers geen onontkoombare fataliteiten. De mens kan er afstand van nemen en een echt auteur worden van een eigen scenario in plaats van een speelbal van onpersoonlijke krachten.

- Maar hoe kan ik mijn verleden dan loslaten?
- Wat zou dat loslaten voor jou betekenen?
- Dat de gedachten aan het verleden er niet meer zijn, dat ze mij niet meer achtervolgen en kwellen!
- Dat is niet loslaten, dat is hopen dat er een mirakel zou gebeuren.
- Ja maar, hoe kan ik het verleden dan loslaten?
- Door te beseffen dat er niets los te laten is. Het verleden is voorbij. Je hoeft het niet meer los te laten. Het is al losgelaten. Het idee van loslaten is een misverstand.
- Ja maar de gedachten aan het verleden kwellen mij nog.
- Dat is niet omdat je die gedachten nog niet hebt losgelaten, maar omdat je er nog niet in het reine mee gekomen bent. Je bent er niet klaar mee. Gedachten blijven actief en komen terug zolang je er niet klaar mee bent.
- Wat moet ik daar dan voor doen?
- Ophouden met proberen die gedachten niet te hebben!
- Ja maar ze kwellen me!
- Gedachten kunnen je niet kwellen. De kwelling is alleen je eigen poging die gedachten niet te hebben.
- Wat moet ik dan doen?
- Die gedachten dóórdenken, ze afhandelen zodat je ze te ruste kunt leggen.
- Hoe moet ik dat doen?
- Door de realiteit waarnaar die gedachten verwijzen, te aanvaarden.
- Maar wat is aanvaarden?
- Zoals je bijv. de regen aanvaardt. Als je de regen aanvaardt, dan blijf je er niet over kankeren. Zolang je over de regen kankert, heb je hem niet aanvaard. Je hebt hem aanvaard als je er geen emotie van verzet meer bij hebt. Als er geen neen-gedachten meer zijn.
- Hoe kan ik mijn verleden aanvaarden?
- Door erover dóór te denken en al je neen-gedachten om te vormen tot ja-gedachten. Ja is het woord van de aanvaarding. Het is ook het woord van de vrede. Je aanvaard je verleden door vrede te sluiten met het verleden.
- Hoe weet ik dat ik in vrede ben?
- Als het niets meer uitmaakt of de gedachte komt of niet komt. Zo lang je zelfs maar hoopt dat de gedachte niet zal komen, heb je ze niet aanvaard.
- Ja maar het verleden heeft toch nog gevolgen voor het heden!
- Dat is een onoverkomelijke wetmatigheid van het leven. Ook daar zul je vrede moeten mee sluiten. Iedereen heeft te maken met gevolgen van keuzes die door hemzelf of door anderen in het verleden gemaakt zijn.
- Maar dat blijft mij kwellen!
- De kwelling is je neen-zeggen, je vechten, je strijden met de wereld zoals ze is. Het is weigeren de wereld te aanvaarden en te bewonen zoals ze nu is.
- Dus het komt neer op aanvaarden?
- Ja, het komt neer op een radicaal pacifistische houding tegenover de dingen die je nu eenmaal niet kunt veranderen.
- Ja maar dat is gemakkelijk gezegd …
- Ja hoor eens, dat is nu eens een gemakkelijke cliché-opmerking… de vraag is niet of het gemakkelijk gezegd is of niet, de vraag is of je ermee opschiet.

zaterdag 20 september 2008

Ik zoek al zo lang naar het geluk. Wat kan ik doen om gelukkig zijn?

Juist dat zoeken is precies het probleem!!!

Zolang je het geluk zoekt, zul je het nooit vinden!
Het geluk is immers niet ergens te vinden. Het is niet iets wat je kunt vinden en het is geen plaats om naartoe te gaan. Het kan alleen in het nu beleefd worden. Maar zolang je zoekt, ga je er in feite van uit dat het heden niet voldoet, dat je nu niet gelukkig kunt zijn! De oorzaak van je ongelukkig zijn is echter juist deze negatieve beoordeling, dit afwijzen van wat er nu is.
Daardoor creëer je een onoplosbare paradox: juist het zoeken om je beter te voelen, maakt dat je je niet beter kunt voelen …

In feite moet je alleen maar beseffen dat je helemaal niets moet doen.
Je kunt alleen hier en nu naar de plaats in jezelf gaan waar je al gelukkig bent, de plaats achter alle gedachten en gevoelens die zich in je kunnen voordoen. Maak contact met de plaats in jezelf waar je heel en compleet bent, waar je niets en niemand nodig hebt, en waar je dus in liefde en geluk kunt zijn. Als je diep in jezelf gaat, onder alle lagen van gedachten en emoties die er door je opvoeding en je ervaringen bijgekomen zijn, vindt je die plaats altijd. Zoals er achter de wolken altijd de zon is. Maar soms zijn de wolken heel dik…
Het is als duiken in de zee. Hoe woelig en stormig het aan de oppervlakte ook is, als je diep genoeg duikt vindt je altijd rust en sereniteit en schoonheid. Je moet alleen beseffen dat die plaats er altijd is en altijd beschikbaar is!

Gelukkig zijn of niet-gelukkig zijn, is immers een manier van zijn, een patroon, een dans die niet bepaald kan worden door wat zich in de buitenwereld voordoet.

Als je nu niet gelukkig bent, dan zal niets van wat zich in de buitenwereld kan voordoen, kunnen maken dat je wél gelukkig bent. Niets uit de buitenwereld kan je immers anders maken dan je bent. Niets uit de buitenwereld kan iets toevoegen of iets wegnemen van wat je bent.

Het heeft ook weer iets te maken met de verwarring tussen plezier en geluk.
Uiteraard is het plezierig, fijn en heel aangenaam als je in goede gezondheid bent, als het mooi weer is, als je in een fijn restaurant kunt eten, als mensen vriendelijk voor je zijn, als je een goede baan hebt, als je op vakantie kunt gaan, als je een lieve partner hebt, enz. Maar toch zijn al deze plezierige dingen geen noodzaak of garantie voor geluk. Eens je iets gekregen hebt en de eerste verrukking daarover voorbij is, keer je meestal immers al snel terug naar je gewone manier van zijn. Heel wat mensen die al die dingen hebben, zijn overigens allerminst gelukkig.
Als je daarover nadenkt, dan kan de enige conclusie alleen maar zijn dat niets je manier van zijn kan veranderen, tenzij jezelf. En om zelf je manier van zijn te veranderen, heb je helemaal niets nodig uit de buitenwereld! Alleen je eigen bewustzijn is nodig, en is ook voldoende.

Probeer je eens iets voor te stellen wat je denkt nodig te hebben om gelukkig(er) te zijn. Iets wat je gelukkig zou “maken”. Probeer je dan voor te stellen dat dát wat je denkt nodig te hebben om gelukkig te zijn, er al zou zijn. Probeer je voor te stellen hoe je je dan zou voelen. Als je je kunt voorstellen dat je je dan gelukkig zou voelen, dan kun je dat ook nu, ook zonder de aanwezigheid van dat wat je dacht nodig te hebben. Je hoeft je welzijn niet langer te laten afhangen van uiterlijke omstandigheden. Het gaat om jezelf en er is niets essentieels aan jou veranderd. Al wat je nu kan, kan je dan ook en al wat je dan zou kunnen, kan je ook nu. De wereld is immers nog steeds dezelfde en jijzelf bent ook nog steeds dezelfde. Laat die ervaring tot je doordringen en besef dat het een gebeuren in jezelf is, een ervaring van jou die je kunt vasthouden, die bij jou hoort en op elk moment beschikbaar is, zodat je ze in feite op elk willekeurig moment kunt ervaren.

Het is dus niet zo verstandig je ervaring van geluk te laten afhangen van het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde dingen of ervaringen. Het is veel verstandiger nu meteen gelukkig te zijn. Als je echt gelukkig wil zijn, wees het dan!

Maar maak ik me dan niets wijs? Maak ik me niet blij met een dode mus?

Dan maak je je alleen niet langer wijs dat je gelukkiger zou zijn met een levende mus. Dan maak je je gewoon niet langer wijs dat je geluk afhankelijk zou zijn van het feit of een mus levend of dood is. Daar gaat het dan niet meer over. Dan kijk je naar het grotere geheel. Dan kijk je naar het mysterie van een wereld waarin zowel levende als dode mussen voorkomen. Net zoals er levende en dode mensen zijn.

Een Oosters gezegde zegt: “Een goed tuinman ziet de roos in de compost en de compost in de roos.” Hij treurt niet om de roos of om de compost en hij is er evenmin blij mee. Hij beleeft de dingen op een hoger niveau waarin hij het complexe samenspel van rozen en compost ziet. Hij begrijpt dat beide even belangrijk zijn. De rozen die er nu zijn, zijn gegroeid op de compost van de rozen die er vorig jaar waren, en zij vormen de compost voor de rozen die er volgend jaar zullen zijn.
Dat is het niveau van David Hume die zei: “Wanneer ik dood zal zijn, zullen de bestanddelen waaruit ik ben samengesteld, nog steeds deel uitmaken van het universum en zij zullen even nuttig zijn in het grote geheel als toen zij deel uitmaakten van dit individuele organisme.”
Dat doet mij dan weer denken aan een ander gezegde (van een mij onbekend auteur) dat zegt: “De levenden sluiten de ogen van de doden. De doden openen de ogen van de levenden.”

Als je op dat niveau naar de dingen kijkt, dan kom je ook tot een ander niveau van emotionaliteit. Dan leer je gelukkig te zijn om de enige goede reden: het feit dat je in leven bent, dat je deel mag zijn van dit wonderlijke proces waarin zovele levende en overleden mensen een rol hebben gespeeld en spelen.

Het antwoord op de vraag wat dingen betekenen, hangt dan ook af van het antwoord op de vraag: voor wie? Dat geeft een heel andere kijk op de nobele waarheid van de Boeddha dat alle lijden een gevolg van onwetendheid is.


Kan ik mij dan altijd en overal goed voelen?

Ja.

Kunnen mensen met een ziekte, met kanker of met een invaliditeit ook gelukkig zijn?

Ik hoop dat u niet denkt van niet want dan zou u heel wat mensen veroordelen tot ongelukkig zijn.
Ik heb ooit een vrouw die ter wereld was gekomen met spina bifida (een zgn open rug) en die dus heel haar leven in een rolstoel moest doorbrengen, horen zeggen: “Het enige verschil tussen normaal leven en leven met een beperktheid, is dat je met een beperktheid heel wat meer over het leven moet nadenken.”

Waarom is het lijden dan zo universeel?

Evolutionaire psychologen nemen aan dat dit soort vaste patronen, dat zo frequent en universeel is, een evolutionaire functie moet hebben. Het is inderdaad een patroon dat iedereen, van baby tot bejaarde, lijkt te kennen, zonder dat het expliciet aangeleerd of voorgedaan moet worden.

Het voordeel lijkt te zijn dat men daardoor aandacht en hulp aantrekt. Ook bij dieren komt dit gedrag voor.
Gelukkig-zijn zou dus nadelig kunnen zijn: mensen gaan denken dat het je goed gaat en dat je niets nodig hebt. Op die manier kan men kansen missen…
Maar is het soort aandacht dat men daardoor krijgt, wel het soort aandacht dat men wenst? Zielig-doen wekt weliswaar emoties op, maar dat gaat al snel om emoties van medelijden (“die arme kerel!”) en niet van respect of liefde. Medelijden leidt bovendien al snel tot minachting en zelfs tot misprijzen (“de sukkel, de zielepoot!”). We hadden best kunnen begrijpen dat Nelson Mandela als een gebroken en lijdend man uit de gevangenis was gekomen, maar we zouden hem er niet om bewonderd hebben. Liefde vereist een minimum aan respect en bewondering…

Moet ik dan alles zomaar aanvaarden en goed vinden?

Gelukkig zijn en aanvaarden dat de dingen zijn zoals ze zijn, betekent niet dat je alles ook goed moet vinden. Maar net zoals het geen zin heeft om het weer van morgen te bestellen, heeft het geen zin te eisen dat het leven zich op een bepaalde manier zou gedragen. Natuurlijk is er veel lijden en zijn er veel dingen die veel beter zouden kunnen. Gelukkig zijn betekent niet dat je alles beoordeelt en vaststelt dat alles volmaakt is. Gelukkig zijn betekent bewust zijn van het grotere geheel en dankbaar zijn omdat je er bij mag zijn en omdat je mag bijdragen aan het verminderen van de onvolmaaktheid in de wereld. Maar dat doe je dan niet vanuit een ervaring van frustratie en onwelzijn, maar vanuit een ervaring van enthousiasme en volheid.

Kan ik zo ook anderen gelukkig maken?






Je kan anderen niet gelukkig maken. Je kan anderen ook niet ongelukkig maken. Mensen kunnen alleen zichzelf gelukkig of ongelukkig maken. Maar jouw manier van zijn kan anderen wel inspireren. Je zaait als het ware geluk om je heen. Maar of het zaad ook wortel zal schieten, daar heb je geen macht over, en dus ook geen verantwoordelijkheid. Je verantwoordelijkheid is alleen wat je zelf doet.


maandag 15 september 2008

Ik heb zo weinig wilskracht. Hoe kan ik meer wilskracht krijgen?

Er bestaat niet zoiets als wilskracht. Al onze kracht is emotionele kracht. Het is de kracht van de emoties die opgewekt worden door de woorden en beelden in ons interne theater.

Hebt u al mensen ontmoet die met een sombereengekwelde blik beweren wel op vakantie te willen gaan maar daartoe de nodige wilskracht te missen? Hebt u al mensen ontmoet die probeerden op vakantie te gaan maar die terug naar huis gekeerd waren omdat het nietlukte vanwege de verkeersopstoppingen en de wegomleggingen? Ik durf wedden van niet. Hoe doen mensen het om zich te motiveren om op vakantie te gaan? Ze projecteren in hun mentale theater, in de bioscoop van hun geest, beelden van de vakantiebestemming en van de leuke vakantie-activiteiten, waardoor ze enthousiast worden en gaan popelen om te kunnen vertrekken. Mensen die enthousiast zijn, zijn niet van hun doel af te brengen. Zij hebben zonder moeite alle wilskracht, alle energie en alle zelfvertrouwen die nodig is om te komen waar ze willen zijn.

In wezen komt dit neer op leiderschap in het eigen leven. Leiderschap is het ontwikkelen van een visie, een toekomstbeeld, een project dat aantrekkelijk is en dat de koers bepaalt. Het uitvoeren van die koers is een zaak voor het management. Op een schip bepaalt de kapitein de koers terwijl de officieren en de matrozen instaan voor het implementeren van de aangegeven koers. Stephen Covey spreekt in dit verband over de management trap, de valkuil van een teveel aan management en een tekort aan leiderschap, vaak met het excuus van “te druk, geen tijd”. Maar wie geen tijd heeft om na te denken over leiderschap in het leven, heeft ook geen tijd om gelukkig te zijn.

Om effectief te zijn moet dit interne beeld zo concreet en realistisch mogelijk gemaakt worden. Als het beeld duidelijk en concreet voor ogen staat, zullen de emoties en het lichaam dit gemakkelijk tot realiteit maken. In dit verband werd bijv. aangetoond dat sportbeoefenaars die zich louter in hun verbeelding trainen, in een soort meditatie, het vaak beter doen dan anderen die een “echte” training deden.

Daar tegenover staan de mensen die zeggen “Ik weet wel dat ik zou moeten stoppen met roken, maar het is zo moeilijk!” denkt u dat die in hun geest beelden projecteren die enthousiasme opwekken? Denkt u dat die gemotiveerd zijn om te stoppen met roken? Denkt u dat die staan te popelen om te stoppen met roken? Denkt u dat die zullen stoppen met roken?

Wie gemotiveerd is, vindt altijd een manier om zijn doel te bereiken.
Wie niet gemotiveerd is, vindt altijd een excuus.

vrijdag 15 augustus 2008

Waarom zijn roken, drinken of andere verslavingen zo moeilijk af te leren?

Deze gedragingen kunnen niet verklaard worden door te verwijzen naar een verslaving die een ziekte zou zijn waaraan men zou lijden. De term verslaving is een beschrijvende term voor een reeks gedragingen en zegt niets over de oorzaak van die gedragingen. Zeggen dat men niet kan stoppen met drinken of roken omdat men verslaafd is, is hetzelfde als zeggen dat men niet getrouwd is omdat men celibatair is. Daarmee is immers nog altijd niet verkaard waarom men middelen gebruikt of niet getrouwd is. (Een gelijkaardige gedachtegang geldt overigens voor depressie. Zie de vraag over depressie.)

Het gebruik van bepaalde middelen en substanties is een gedrag dat een gevolg is van het zoeken naar genotsbelevingen. Mensen vinden het lastig dergelijke gedragingen op te geven omdat genot zo een krachtige greep op ons heeft. Maar het gaat om het gedrag van een persoon, niet om het gevolg van een ziektetoestand. Het zoeken naar genot en aangename ervaringen is een universeel menselijk gegeven. In alle culturen en in alle tijden hebben mensen dan ook middelen (drugs) gezocht en gevonden om op een gemakkelijke en snelle manier aangename ervaringen op te wekken. De zogenaamde “strijd tegen drugs” is in dit licht dan ook een vrij hopeloze zaak. Mensen zullen nu eenmaal altijd naar genotsmiddelen zoeken, zeker in een tijd als de onze met zijn grote belangstelling voor gemakkelijk genot en genietingen. Het enige verschil is dat er toegestane en niet-toegestane genotsmiddelen zijn, genotsmiddelen voor begoeden en genotsmiddelen voor armen …

Het is duidelijk dat eens de olifant in ons (zie hoger) de smaak van één van die middelen geproefd heeft, hij er steeds méér van zal willen, en aangezien een olifant een groot en log dier is…
In de meeste traditionele culturen is het gebruik van dergelijke middelen dan ook strikt gereglementeerd. Roes- en genotsmiddelen worden altijd in groep gebruikt onder leiding van een sjamaan of een andere oudere. In de meeste gevallen is er zelfs een taboe op het gebruik door individuele leden van de gemeenschap in afzondering. De reden voor dit taboe lijkt te zijn dat deze mogelijkheid van ongebreidelde genotsbeleving maakt dat de betrokkene niets en niemand meer nodig heeft en zich uit het groepsverband onttrekt. Er is een opvallende gelijkenis met het taboe op masturbatie, dat overigens ook alleen maar op dergelijke wijze verklaard kan worden.

Dat verklaart ook dat voor het veranderen of stoppen van elke gewoonte van gemakkelijke genotsbeleving (roken, drinken, spuiten, snuiven, eten, gebruik van verboden of toegestane middelen, geneesmiddelen, gokken, sporten, kopen, reizen, seks, verzamelen…) altijd een robuuste motivering van de berijder van de olifant vereist zal zijn.
Dat blijkt uit het falen van de meeste programma’s waar gebruikers zonder een dergelijke motivering altijd bijzonder resistent blijken te zijn tegen elke vorm van “behandeling” en steeds weer “hervallen”.* Zolang er een externe motivering is (bijv. de opname in de kliniek) lukt het stoppen zonder al te veel problemen, maar zodra die externe motivering verdwijnt, herneemt de betrokkene al snel weer zijn oude gewoonten. Het gaat immers niet om een “ziekte” waarvan men “genezen” zou zijn…

Anderzijds verklaart dat ook dat gebruikers hun gebruik altijd blijken te kunnen stoppen als zij daartoe een voldoende reden (motivering) hebben. Het is bekend dat vele vrouwen die zwanger worden, plots kunnen stoppen met roken. Betekent dat dan dat wat “moeilijk” of “onmogelijk” was, plots “gemakkelijk” is geworden? Natuurlijk niet. Het was altijd al gemakkelijk. Er was alleen maar een voldoende reden voor nodig.
Vele mensen hebben een hartinfarct of een longkanker nodig als voldoende reden om te stoppen met roken. Maar zelfs dat is niet altijd voldoende en een aantal mensen zal toch verder roken, ondanks een reden die in de ogen van vele anderen voldoende zou zijn om te stoppen. Er is inderdaad geen enkele reden die voor iedereen een voldoende reden zou zijn. Men kan voor alle redenen ook altijd de schouders ophalen en mensen met een verslavingsgedrag zijn meesters in de kunst van het bedenken van excuses. Dat is nu eenmaal de vrijheid van de mens …

Waar het steeds om gaat is dat de betrokkene zelf ervan overtuigd raakt dat hij zijn verslavingsgedrag kan stoppen. Deze overtuiging wordt evenwel vaak bemoeilijkt door andere, sociaal aanvaarde overtuigingen in de aard van: “ik denk dat het me nooit zal lukken”, “het heeft geen zin te proberen, het is te moeilijk”, “zie je wel dat het me niet lukt.” Het zal dus zaak zijn deze overtuigingen in te ruilen voor andere, meer empowerende en bevrijdende overtuigingen.

Bijkomende moeilijkheden zijn de kennelijk steeds lager wordende frustratietolerantie en de ermee gepaard gaande discomfort anxiety (“ik kan er niet tegen om me minder goed te voelen”) en ego anxiety (“het zou verschrikkelijk zijn als mensen iets slechts over me denken”). De genotsmiddelen worden dan weer boven gehaald om het hoofd te bieden aan deze nieuwe "moeilijkheden".

Het probleem van verslaving is uiteindelijk een probleem van het omgaan met genotsbeleving. De enige strijd die te leveren valt, is in ons hoofd. Het antwoord op verslaving kan geen strijdtocht tegen genotsbeleving zijn, maar het cultiveren van een meer gediversifieerde en meer gedifferentieerde waaier van mogelijke vormen van genotsbeleving. Het probleem van de verslaafde is juist dat het leven uiteindelijk vernauwd is tot nog maar één enkele manier om genot te beleven. Het antwoord is het cultiveren van andere manieren van genotsbeleving, niet alleen als substituut maar als genot van een “hogere” orde. Niemand wil zomaar een plezier opgeven. Maar het opgeven van een bepaalde vorm van plezier wordt gemakkelijk als er een ander, hoger genot voor in de plaats komt. Het plezier van het roken valt in het niets naast het “hogere” plezier van het krijgen van een baby. Een aantal mensen geeft bepaalde verslavingen inderdaad op in ruil voor het hogere, existentiële plezier zich als een vrijer, autonomer en volwassener mens te ervaren.

Het hoogste genot voor een mens is immers zich een vrij mens te weten. Ware vrijheid is autonomie en men is autonoom als men niet door factoren van buitenaf bepaald wordt, maar door zichzelf, met name door het hoogste in zichzelf, d.i. het redelijk inzicht en de fundamentele drijfveren op lange termijn. Wie inziet dat roken schadelijk is en op grond daarvan van het roken afziet, is een vrij mens. Wie hetzelfde wel inziet maar het roken toch niet kan laten, is minder vrij omdat hij zich niet door de rede laat bepalen.

Dat is echter allesbehalve evident in een samenleving waar bijna uitsluitend aandacht wordt besteed aan lichamelijk-emotionele vormen van genotsbeleving en waar maar weinig aandacht is voor vormen van intellectuele, sociale, existentiële en spirituele vormen van genotsbeleving die al te vaak als “moeilijk” worden bestempeld.

Dit alles illustreert het concept van de berijder van de olifant. Het illustreert de kracht van de olifant, maar ook de fundamentele vrijheid van een berijder die werkelijk gemotiveerd is. Het illustreert ook dat afhankelijkheid van middelen - drugs, alcohol, voeding, nicotine - altijd wijst op een onvermogen om op een rationele manier met de relatie met bepaalde substanties om te gaan. Dit onvermogen is een voorspellend persoonlijkheidskenmerk voor een verslavingsgevoeligheid die ook in problemen op andere terreinen van het leven tot uiting zal komen, bijv. in “constructieve verslavingen” als veel sporten of dure kunstwerken verzamelen.

Wie gemotiveerd is, vindt altijd een manier om zijn doel te bereiken.
Wie niet gemotiveerd is, vindt altijd wel een excuus.

_____________

* Ook resistentie is een beschrijving van een gedrag en geen bijzondere ziekte-entiteit. Als een patiënt niet ophoudt met het gebruik van bepaalde middelen, is dat niet omdat hij aan “resistentie” lijdt, maar omdat hij nog geen goede reden (motivering) heeft gevonden om zijn gedrag te wijzigen.

zondag 10 augustus 2008

Wat is meditatie en waartoe dient het?

Meditatie is een praktijk van onderzoek die bedoeld is om een grotere transparantie in jezelf te krijgen, om inzicht te krijgen in het spel van gedachten, voorstellingen en gevoelens, en om die inzichten om te zetten tot een levende, belichaamde ervaring. Het is ontwaken tot de ware aard van je bestaan, die je als het ware live aan het werk kunt zien en vriendelijk kunt verwelkomen. Om je interne wereld echt te kunnen observeren, is volledige aandacht noodzakelijk voor wat er hier en nu is. Daartoe moet je aandacht dus ophouden met oordelen en evalueren of wat er is wel overeenstemt met wat er zou moeten zijn. Je moet dus in staat zijn niets te eisen of te verwachten. Meditatie is gewoon samenvallen met jezelf in plaats van met de voortdurende evaluator en commentator van jezelf. Zolang je iets wil zoeken, vinden of bereiken, zul je niets bereiken. Er valt gewoon niets te “bereiken”…

Meditatie is het beoefenen van aandacht. In vele gevallen zal het gaan om aandacht voor de oorzaken van het lijden en van het ontdekken van de leegte van die oorzaken. Maar het kan ook gaan om een oefening in het zich openen voor het mysterie van het leven en van al wat is, in ons en rondom ons. Als we in onze geest een aannemelijk beeld vormen van onze verbondenheid met anderen en met alles wat er is, dan zullen we die ook voelen. Meditatie is de weg naar verlichting…

Dat toont meteen ook het verschil in benadering in het Westen en in het Oosten: de Westerse mens houdt zich vaak bezig met terugredeneren over wat voorbij is en zoekt naar ingewikkelde conceptuele ketens van verklaarbare oorzaken en gevolgen om te begrijpen waarom hij geworden is wat hij is. Daar kan heel wat kostbare tijd mee zoek gemaakt worden. De Westerse mens probeert ook voortdurend de gebeurtenissen en de omgeving te controleren en naar zijn hand te zetten in de hoop zich dan goed te zullen voelen.
Maar meditatie is geen psychoanalyse en zeker geen manier om het leven te manipuleren. De Boeddhistische mens laat al die uiterlijke omstandigheden en de persoonlijke voorgeschiedenis gewoon los en probeert veeleer inzicht te krijgen in zichzelf en in zijn manier van omgaan met de wereld. Hij gebruikt de wet van oorzaak en gevolg (karma) niet om de schuld ergens anders te leggen, maar om inzicht te krijgen in zijn eigen reactiepatronen. Meditatie dient niet om de wereld te ontvluchten en “tot rust te komen” (hoewel dat natuurlijk goed kan doen en daar op zich niets op tegen is) dan wel om een blik te werpen op een andere manier van zijn en een andere invulling van het leven.

Gewoontepatronen laten zich niet gemakkelijk veranderen maar door met de aandacht steeds weer naar binnen te gaan en bij de ervaring te blijven, krijgt de aandacht een bepaalde kracht. Het wordt een specifiek instrument. In plaats van passief bepaalde stemmingen of belemmeringen te ondergaan, ontstaat daardoor een heel nieuw veld van mogelijkheden en ervaringen.
Als men emoties loskoppelt van concrete aanleiding en van het persoonlijke, aangename of onaangename aspect, kan men ze als een loutere stroom van energie gaan ervaren, die men er gewoon kan laten zijn.

Als men vervolgens de aandacht richt op het doel van die stroom van energie, kan men inzien dat die altijd gericht is op het bereiken van een toestand van meer geluk. Er zijn geen positieve of negatieve emoties. Alle emoties zijn gericht op meer geluk. Dat geluk kan men evenwel onmiddellijk toelaten en onmiddellijk ervaren zonder dat daartoe een bepaalde verandering in de buitenwereld noodzakelijk is. De mogelijkheid om het lijden te beëindigen en geluk te ervaren is immers altijd in ons aanwezig, net zoals de mogelijkheid om de zon te zien altijd in ons is. De zon is er immers altijd, ongeacht of wij ze zien of niet. Het is dus niet nodig die emoties te “uiten” of er enig verder gevolg aan te geven.
Als men anderzijds de aandacht richt op de bron van die stroom, kan men inzien dat de stroom altijd afkomstig is uit de bron van liefde en welzijn in ons. Dan kunnen we ook die liefde toelaten en ervaren zonder verder uiting of gevolg te moeten geven aan die stroom van energie. We moeten dus ook geen liefde “krijgen” van anderen maar we kunnen onmiddellijk liefde ervaren en ons lijden beëindigen als we ons openstellen voor de bron van liefde in onszelf. Dan kunnen we ook onmiddellijk mededogen voor alle andere mensen ervaren en glimlachen om onze problemen, een interne glimlach die een teken van de wijsheid is, en tegelijk een methode om tot wijsheid te komen…

Men kan dus als het ware surfen op de energie van de emotionele golven, in plaats van door de golven meegesleurd te worden. Het plezier van het surfen is het surfen zelf, niet het bereiken van een doel. Het komt er dan alleen nog op aan dit aanvankelijk intellectuele inzicht tot een existentiële werkelijkheid, tot een belichaamd weten te maken. Dat is waar meditatie behulpzaam kan zijn, niet door als een stenen beeld rechtop te blijven zitten of esoterische oefeningen of vreemde visualisaties in rare houdingen te doen, niet door intellectuele hoogstandjes van een “verlichte geest”, niet door het krampachtig vastgrijpen van het “nu”, maar door het ontwikkelen van een onvoorwaardelijke, aandachtige aanwezigheid. Het gaat niet om het beheersen of bedwingen van gedachten of emoties, maar om het zich niet meer laten meeslepen door gedachten of emoties. Dat is een subtiel maar cruciaal verschil…

Een leerling vroeg aan een Zen-meester: “Meester, wat is de essentie van Zen?”
De meester dacht even na en antwoordde: “Aandacht.”
De leerling zei: “Alleen maar dat? Er moet toch nog iets meer zijn?”
De meester dacht weer even na en zei: “Ja: aandacht, aandacht.”
De leerling drong aan: “Er kan toch niet alleen maar dat zijn? Er moet toch nog meer zijn?”
De meester dacht nog even na en zei: “Inderdaad: aandacht, aandacht, aandacht.”

donderdag 7 augustus 2008

Wat is “emotioneel management”? Hoe kan ik beter leren omgaan met emoties?

Een man die met de wagen onderweg was, kreeg plots een lekke band. Toen hij in het koffer keek om zijn reservewiel te monteren, stelde hij vast dat hij geen krik bij zich had. Hij stond op een afgelegen weg en hij was bijna de wanhoop nabij, toen hij in de verte een huis ontwaarde waar licht was. Vol goede hoop ging hij op weg om te vragen of hij een krik kon lenen. Maar onderweg begon hij te twijfelen: stel je voor dat de bewoners hun krik niet aan een vreemde wilden meegeven! Dat zou toch wel heel erg zijn! En hij voelde de verontwaardiging en de kwaadheid al bij zich opkomen. Maar toen dacht hij: maar nee, natuurlijk gaan zij hun krik willen uitlenen om iemand in nood te helpen! En vol goede moed stapte hij weer verder. Maar even verder werd hij weer door zwarte gedachten overmand: maar wat te doen als zij nu toch hun krik niet zouden willen uitlenen? En weer overviel hem een gevoel van machteloosheid en van onrechtvaardigheid. Hij had toch niets mis gedaan? Waarom zouden ze hem dan niet helpen? Ach nee, natuurlijk zouden ze hem willen helpen… Maar stel nu toch eens dat … Maar nee …

Toen hij uiteindelijk bij het huis kwam en aanbelde en de bewoners de deur openden, snauwde hij hen toe: hou uw krik maar, ik wil ze al niet meer!

De man had tijdens zijn wandeling een hele reeks van emoties ervaren, zonder dat er in de buitenwereld ook maar iets veranderd was. Waar kwamen zijn emoties dan vandaan? Uiteraard waren het zijn eigen reacties op zijn eigen voorstellingen en gedachten!

Onze emoties worden ons dus niet ingegeven door de buitenwereld of door anderen. Onze emoties zijn onze reacties op onze eigen beelden en gedachten. Als onze interne beelden veranderen, veranderen ook onmiddellijk onze emoties.

Als je in je tuin plots denkt een slang te zien, is het normaal dat je door angst bevangen wordt. Maar als je beter toekijkt en vaststelt dat de slang alleen maar een afgevallen tak is, wat gebeurt er dan met je angst? Wat was dan de oorzaak van je angst?

Vergelijk dit met het gekende verhaal over een Chinese boer:

In het oude China leefde een boer in een klein plattelandsdorpje. Hij werd beschouwd als iemand in goede doen, want hij had een zoon en bezat een paard om het land te bewerken en allerlei zaken te vervoeren.

Maar op een dag ging dat paard ervandoor. Zijn buren en vrienden kwamen naar hem toe om hem te zeggen hoe erg ze het vonden en om hem te troosten. Maar de boer zei alleen maar: “Misschien wel, misschien niet.”

Een paar dagen later kwam het paard terug en bracht tien wilde paarden met zich mee. De buren en de vrienden vonden dat geweldig en kwamen hem gelukwensen met dat gelukkige toeval. Maar de boer zei alleen maar: “Misschien wel, misschien niet.”

De volgende dag probeerde de zoon van de boer een van de wilde paarden te temmen, maar het dier wierp hem van zich af en de jongen brak zijn been. Daarop kwamen de buren en de vrienden weer en spraken hun medeleven uit over zoveel tegenspoed. Maar de boer zei alleen maar: “Misschien wel, misschien niet.”

Even later brak een oorlog uit en arriveerden militairen in het dorp om alle jonge mannen te rekruteren voor het leger. De zoon van de boer mocht echter thuisblijven, want iemand met een gebroken been konden ze niet gebruiken. “Wat een geluk heb jij!” zeiden de buren en de vrienden weer tot de boer. Maar de boer zei alleen maar .....

De boer weigerde zich te laten bepalen door de omstandigheden. Hij aanvaardde de dingen die zich voordoen, zonder te oordelen of zich voorstellingen te maken over hoe goed of hoe erg dat wel was. Hij behield zijn gemoedsrust en zijn sereniteit, wat er ook gebeurde.

Ook hier wordt weer duidelijk gemaakt dat onze emoties ons niet ingegeven worden door de buitenwereld of door anderen. Onze emoties zijn onze reacties op onze eigen voorstellingen en gedachten. Vooral die dimensie van ons denken die we ons symbolisch landschap zouden kunnen noemen, ons betekenissenlandschap (in tegenstelling tot sensorieel of conceptueel denken), bepaalt onze emotionele reacties. Om onszelf of anderen te begrijpen, volstaat het naar het vocabularium en naar de symbolische, metaforische uitspraken te luisteren. Om anders te voelen, volstaat het een ander intern symbolisch landschap te cultiveren.

Het gaat dus om creativiteit en stuurkunst, en niet om wat ons overkomt. Als wij de hogere dimensie van het denken, d.i. onze zienswijzen, onze oordelen en onze beelden en metaforen leren sturen, zullen wij ook onze emoties (en onze motivering) te sturen. Dan worden onze emoties transparant. Dan worden wij emotioneel volwassen en onafhankelijk. Het gaat er niet om emoties te verdringen of te “controleren”, maar wel om verrijkende emoties op te wekken…

Emoties kunnen enigszins vergeleken worden met spieren. Hoe sturen we onze spieren om een bepaalde beweging uit te voeren? Door de intentie te formuleren! We rekenen er gewoon op dat onze spieren onze intenties zullen uitvoeren. Hoe zouden we anders een trap kunnen oplopen? Hoe kunnen we onze emoties sturen? Door intentioneel bepaalde beelden op te roepen! We maken ons angstig door beangstigende beelden op te roepen. We maken ons kwaad door kwaadmakende beelden op te roepen. We maken ons blij door vreugdevolle beelden op te roepen. (zie de vraag over emotioneel management)

In principe kunnen we dus op elk ogenblik elke emotie hebben die we maar willen. We kunnen dus ook op elk ogenblik de emoties van bewondering, dankbaarheid, mededogen en vreugde voelen. Dat zijn de emoties die in het Boeddhisme de “grote emoties” worden genoemd, in tegenstelling tot de “kleine emoties” als angst, kwaadheid, jaloersheid, schuldgevoelens, irritaties, enz.

Deze technieken worden niet alleen in het Boeddhisme gebruikt, maar ook in bijv. NLP waar men dan over “herkaderen” spreekt, d.i. een wijziging van perceptie. Het idee is dat men altijd een kader kan vinden dat inspirerend en empowerend is, een kader dat ons groter maakt.

maandag 7 juli 2008

Met mijn verstand weet ik het wel, maar mijn gevoelens willen niet! Hoe zit dat met de verhouding tussen verstand en gevoel?


Het antwoord op de vraag naar de verhouding tussen verstand en gevoel is niet meteen duidelijk en heeft de mens al heel lang beziggehouden. Omdat die verhouding niet juist te vatten is, hebben mensen zich al lang beholpen met metaforen. Metaforen zijn op zich niet juist of onjuist. Het zijn instrumenten om het leven denkbaarder en transparanter te maken, net zoals bijv. een schaakspel heel ingewikkeld lijkt maar transparant wordt als je de regels kent. Het blijft dan nog altijd fascinerend om te zien wat een bepaald individu in een bepaalde omstandigheid zal doen. In die zin is een schaakspel op zich een metafoor voor het leven…


Een klassieke metafoor is die van het lichaam en de geest of de ziel, zonder dat duidelijk is hoe men zich de geest of de ziel zou moeten voorstellen. Het zou gaan om een tijdelijke vereniging van een eindig (sterfelijk) lichaam met een onsterfelijke geest of ziel.


Dat leidt al snel tot het idee van het lagere en het hogere, zonder dat ook in dit geval duidelijk is hoe men zich dat moet voorstellen of waar de grens juist zou zijn.


Dat leidt op zijn beurt dan weer tot de opvatting van het goede en het kwade in de mens. Het idee van een strijd tussen het goede en het kwade lijkt afkomstig te zijn van Zoroaster en werd min of meer gewijzigd overgenomen door de meeste monotheïstische godsdiensten die zich op Zoroaster geïnspireerd hebben.


Plato gebruikte de metafoor van de mens als wagenmenner met een stel paarden, waaronder een paard van het goede en een paard van het kwade. Het was de taak van de wagenmenner het geheel in de juiste baan te sturen.


Freud had het idee van het bewuste en het onbewuste in de mens. Hij zag het onbewuste als een soort vulkaan met onbekende, duistere krachten, die het ons op elk ogenblik moeilijk kunnen maken.


Een hedendaags idee is uiteraard geïnspireerd op de computer. Net als een computer nemen de hersenen immers informatie op, verwerken die, en nemen beslissingen om te handelen. Het bewustzijn is dan de gebruiker van de computer. Zoals met een computer kan de gebruiker soms met onverwachte gebeurtenissen te maken hebben omdat ergens in het geheugen nog informatie aanwezig was die een invloed kan hebben op de werking. Dat leidt tot het idee van het wissen van onjuiste informatie en het programmeren of herprogrammeren van onze computer. Het leidt tot het alleszins verleidelijke idee van een totale controle…


Het oosten kent de metafoor van de mens als berijder van een olifant. Een olifant is een groot en log dier. Hij is een symbool voor het evolutionaire spel dat in ons gespeeld wordt. Toch kan een mens erin slagen het dier te berijden en voor zich te laten werken. Het voordeel van deze metafoor boven de computermetafoor is dat we begrijpen dat we weliswaar geen totale controle hebben, maar dat we die ook niet nodig hebben. Ook als wij in slaap vallen, zal de olifant immers niet in een ravijn lopen. Onze olifant wil immers net zozeer overleven als wijzelf. In tegenstelling tot een computer, die zichzelf hopeloos in de knoop kan werken en daar dan alleen met menselijke tussenkomst weer uit kan komen, is een olifant een perfecte en betrouwbare overlevingsmachine, die ook zonder tussenkomst van de mens perfect kan overleven. Die ingebouwde overlevingsdeskundigheden van onze olifant kunnen ons dan ook als berijder goed van pas komen. Een olifant is immers een zeer rationele overlevingsmachine, die altijd goede redenen heeft om te doen wat ie doet, alleen heeft een olifant een rationaliteit die soms een beetje onhandig is in onze hoogtechnologische cultuur en bij het samenleven in miljoenensteden. Onze olifant heeft het dan ook soms een beetje moeilijk met ons, en wij met hem. Hij vreet veel liever een maïsveld kaal en werken voor een mens hoort niet echt tot de normale rationaliteit van een olifant. Toch wil onze olifant best voor ons werken, maar dan moeten we beginnen met heel aandachtig te zijn om de olifant te leren kennen. Dan kunnen we voorzichtig en geduldig beginnen met de rationaliteit van de olifant in de richting van onze eigen wensen te sturen. Maar de olifant blijft altijd veel groter en sterker dan wijzelf en als hij echt niet wil kunnen wij daar niet direct veel aan doen.


Er zijn dus verschillende vormen van “weten”. Een conceptueel weten dat de berijder wel in zijn hoofd heeft, maar dat de olifant niet in beweging zet, zal niet veel concreet effect hebben. Een echt weten is een actief weten dat beelden en emoties oproept die de olifant in beweging zetten. Er zullen maar weinig mensen zeggen: “ik weet dat ik op vakantie zou moeten gaan maar ik mis wilskracht”. Het idee van vakantie roept bij de meeste mensen immers beelden op van aantrekkelijke stranden, berglandschappen of restaurantjes. Daardoor ontstaat in hun lichaam en in hun emoties een krachtige ja-dynamiek: “ja, dat wil ik!” Omgekeerd, waarom zullen de meeste mensen niet aangetrokken worden door bunji-springen of overwegen midden op een kruispunt op de grond te gaan liggen? Omdat dit krachtige beelden oproept waarvoor mensen terugdeinzen. Maar waarom blijven vele mensen onbekommerd roken terwijl zij toch beweren te weten dat dit niet goed is? Omdat in verband met roken alleen maar abstracte concepten worden opgeroepen (bijv. kanker) die niet de kracht hebben om hen in beweging te zetten. De kunst van het motiveren komt dan ook neer op de kunst om motiverende, aantrekkelijke beelden en metaforen te projecteren. Wie stoppen met roken als een verlies of als een moeilijke opdracht ziet, zal weinig gemotiveerd zijn. Wie stoppen met roken als een stap naar een bewuster, vrijer, meer volwassen leven ziet, zal veel meer gemotiveerd zijn.

zondag 15 juni 2008

Waarom is gelukkig zijn zo moeilijk?

Omdat ons brein het daar waarschijnlijk moeilijk mee heeft...

Onze hersenen zijn bedoeld voor het oplossen van problemen en zijn minder goed in het creëren van geluk. Zij voelen zich onwennig als er geen problemen zijn. Zij denken dan dat er vast wel een probleem over het hoofd gezien werd en gaan ijverig op zoek…

Evolutionair gezien is het begrijpelijk dat onze hersenen vooral goed zijn in het oplossen van problemen waar de mens in het verleden vaak mee werd geconfronteerd. Op de eerste plaats uiteraard problemen in verband met overleving, voedsel, veiligheid en gevaar, maar verder ook problemen van sociale aard: partners, vrienden, rivalen, vijanden, conflicten, hiërarchie, samenwerking… Al deze problemen behoren tot onze “overlevingsmodus“ en in al deze situaties was het in het verleden vaak nodig snel, radicaal en veralgemenend te oordelen of iets “goed” of “niet-goed” was, vaak op basis van beperkte gegevens en ervaringen. Foutieve beoordelingen liepen immers vaak fataal af… De overlevingsmodus is als het ware het archaïsche evolutionaire spel dat in ons gespeeld wordt en dat soms zelfs de overhand kan nemen. Misschien is ons brein zelfs zodanig ingesteld op het opmerken en oplossen van problemen, dat een toestand zonder problemen als ongewoon en zelfs beangstigend wordt ervaren …

Het brein is ook veel minder goed in het oplossen van problemen waar het in het verleden vrijwel nooit mee te maken heeft gehad: de ware aard van tijd en ruimte, de relativiteitstheorie, de structuur van de materie, de kwantumfysica, de evolutie van de kosmos, logische en wiskundige problemen, de organisatie van miljoenensteden en grote samenlevingen, het omgaan met spitstechnologie en grote energieën met vaak potentieel destructieve effecten. Voor deze problemen is het net niet nodig snel te oordelen, maar veeleer om niet-oordelend waar te nemen hoe de dingen eigenlijk zijn. Daartoe moeten onze hersenen dan ook in een andere modus werken dan in de “overlevingsmodus”.

Als gevolg van deze dominante “overlevingsmodus” raakt het brein evenwel gemakkelijk “besmet” met onjuiste “inzichten”. De “normale” werking van ons brein, ons “gezond verstand” zegt ons dat de aarde plat is en stilstaat terwijl de rest van het heelal om ons heen draait. We hebben er wat moeite mee, ook al “weten” we het, te begrijpen dat de aarde ruim 4,5 miljard jaar geleden is ontstaan, dat wij met een snelheid van ruim 100.000 km/u (30 km/sec!) door de ruimte om de zon zoeven en met ruim 1.600 km/u om onze aardas draaien en dat mensen die aan “de andere kant” van de aarde lopen toch niet het gevoel hebben ondersteboven te lopen.

We hebben er ook moeite mee om bepaalde dingen achterwege te laten die “plezierig” zijn, ook al “weten” we dat die niet goed voor ons zijn, en andere dingen die “niet plezierig” zijn juist wel te doen, ook al “weten” we dat die goed voor ons zijn. Dat “weten” is meestal niet meer dan de mogelijkheid om een aantal woorden na elkaar uit te spreken. Het aspect “plezierig” of “niet-plezierig” is doorgaans een veel krachtiger drijfveer. Zo vinden mensen het bijzonder moeilijk om te stoppen met roken, met te veel drinken, met de verkeerde dingen te eten en met het ongebreideld najagen van bezit, partners en territorium … ook al “weten” ze dat dit niet tot geluk leidt… (Cfr. bijv. De film “Damage” van Louis Malle)

Uiteindelijk zijn er geen gemakkelijke of moeilijke dingen. Er zijn alleen dingen wie we al kennen en dingen die we nog niet kennen. Van de dingen die we kennen, hebben we een duidelijke voorstelling. Als we een duidelijke voorstelling hebben, kan het lichaam dat ook uitvoeren. Van de dingen die we nog niet kennen hebben we geen duidelijke voorstelling. Dingen lijken moeilijk als we ons er geen duidelijke voorstelling van kunnen maken. Dan lijkt het alsof we in de mist lopen, of in een vreemde stad waarvan we geen kaart hebben.

Dat geldt ook voor existentiële vragen, die juist betrekking hebben op het leven op langere termijn, op de “moeilijke” dingen. Zo hebben wij het bijzonder moeilijk om onze gevoelens op langere termijn correct in te schatten en voor te stellen. Wij overschatten veelal de intensiteit en de duur van het “geluk” dat ons zal te beurt vallen bij het bereiken van bepaalde doelstellingen (meestal komt het neer op een voorbijgaand plezier) en we overschatten ook de aard en de duur van het “ongeluk” dat “voor altijd” ons lot zal zijn als bepaalde gebeurtenissen zich zouden voordoen (ook dat is veelal van voorbijgaande aard).

Om tot geluk te komen moeten wij juist de gewoonte van onze hersenen om snel te oordelen of iets “goed” of “niet-goed” is, even achterwege laten. We moeten op een soort “beschouwende”, “contemplatieve” of “meditatieve” modus overschakelen. Maar dat valt niet mee wegens de aanwezigheid van de kleine (of grote) interne dwingeland, die altijd uit is op onmiddellijk genot of die zich angstig maakt voor een (meestal ingebeelde) dreiging. Pogingen om die interne stem het zwijgen op te leggen of “uit te schakelen” lukken meestal niet. Integendeel, hoe meer we er ons tegen verzetten, hoe sterker die stem lijkt te worden. Het beste wat we kunnen doen lijkt nog te zijn er gewoon om te glimlachen. Door te glimlachen geven we aan dat de interne stem geen macht over ons heeft. Uiteindelijk geeft de interne stem het dan op, net zoals een zeurend kind uiteindelijk opgeeft als het geen speciale aandacht meer krijgt. Dat is precies de bedoeling van meditatie of “mindfulness”.

In die “meditatieve” modus, kunnen we uiteindelijk gaan zien dat we niets missen, dat we niets nodig hebben om gelukkig te zijn. We kunnen stoppen met het zoeken naar dingen die ons kunnen verwonderen en we kunnen beginnen met gewoon verwonderd te zijn. Het enige wat nodig is, is er ook al, namelijk het bewustzijn van het geluk in leven te zijn, het bewust deelnemen aan een groots en wonderlijk proces.


Is dat de kracht van het nu?

Precies. De kracht van het nu is het besef dat er in het nu geen lijden kan zijn. Er kan alleen lijden zijn als we wat er nu is vergelijken met een ingebeelde toestand die verondersteld wordt beter te zijn, als we dus oordelen dat wat er nu is niet goed genoeg is. Maar dan zijn we bezig met oordelen en vergelijken, niet met (be)leven wat er nu is. Hoe zou het nu niet goed genoeg kunnen zijn? Het nu is al wat er is!

Dat wordt geïllustreerd door het verhaal van een man die achterna gezeten wordt door een tijger. Ten einde raad springt hij in een ravijn waar de tijger hem niet kan volgen en waar hij zich nog net kan vasthouden aan een uitstekende wortel. Maar als hij even naar beneden kijkt, ziet hij daar ook al een likkebaardende tijger staan, en tot overmaat van ramp ziet hij hoe een paar muizen aan “zijn” wortel aan het knagen zijn.

Maar toen hij even opzij keek, zag een paar aardbeien staan, pakte er een en stak ze in zijn mond. Wat smaakte die heerlijk…

Bestaat het geluk wel?

Sommigen gaan inderdaad zo ver te verklaren dat het geluk helemaal niet bestaat, dat het een illusie is, dat het niet van deze wereld is, dat het genetisch bepaald is of dat het toch alleen maar om chemische reacties in de hersenen gaat, enz. Deze opvattingen vormen meteen ook het gedroomde (en modieuze) excuus om er niet meer verder over te moeten nadenken en te verklaren dat wie wel nadenkt en zoekt hopeloos naïef is. We kunnen dit vergelijken met iemand die zou beweren dat de schoonheid van een roos of van een schilderij helemaal niet bestaat. Een dergelijk iemand zou op ons niet bepaald een indruk van grote wijsheid maken, maar zou eerder blijk geven van armoede van geest. Schoonheid bestaat voor wie ze ziet. Ze bestaat niet voor wie ze niet ziet. Net zoals een tango bestaat voor wie hem doet bestaan door hem te dansen. Een tango bestaat niet voor wie niet in staat is hem te doen ontstaan.

Is het geluk voor sommigen niet gemakkelijker dan voor anderen?

Wellicht wel. Maar het idee dat het geluk voor sommige mensen moeilijker is dan voor andere, doet niets terzake. Dat geldt immers voor alles: fietsen, viool spelen, paaldansen of badmington spelen. Zelfs als dat waar is, is er namelijk maar één persoon voor u belangrijk en dat bent uzelf. De vraag is wat u wil, niet wat voor andere mensen gemakkelijker of moeilijker zou zijn.

dinsdag 10 juni 2008

Wijst de toenemende aanwezigheid van naakt en seks in de samenleving niet op een toenemende normvervaging?


Net zoals er in onze samenleving veel over liefde gesproken wordt, zonder dat er veel besef is van wat liefde eigenlijk is, is er veel te doen over seks en erotiek zonder dat er veel aandacht is voor de diepere betekenis.


Een bij die van bloem tot bloem vliegt om nectar te verzamelen, is zich er niet van bewust dat zij aan kruisbestuiving doet en het leven op aarde mede mogelijk maakt. Een mens kan leven als een bij, alleen begaan met het onmiddellijke plezier. Dat is niet moreel verwerpelijk. Het is alleen niet de hoogst mogelijke vorm van leven voor een mens. Vele mensen leven als een bij, onbewust dat zij deelnemen aan een sacraal proces.


In onze Joods-Christelijke cultuur zijn seks en erotiek om archaïsche redenen verbonden geraakt met wat verboden, slecht en zelfs vies is en dat bijgevolg verborgen moest blijven als iets wat nette mensen niet doen. Het is bijv. typisch dat mensen die Playboy lezen, dat altijd zogenaamd doen "voor de goede interviews", alsof het niet ok is om ook graag naar het vrouwelijk lichaam te kijken. Toen aan Christie Hefner, gedurende jaren de CEO van Playboy, recent gevraagd werd of ze het niet gênant vond dat vrouwen in het blad als seksuele objecten worden voorgesteld, antwoordde ze: "Neen, want mannen en vrouwen zijn seksuele objecten voor elkaar."
In traditionele samenlevingen waar mensen naakt lopen, is er uiteraard geen voedingsbodem voor blote plaatjes. Maar wat verboden is, gebeurt stiekem toch en het onvermijdelijke gevolg daarvan is de huidige ongebreidelde liberalisering, zonder dat dit gepaard gaat met veel diepgang of respect. Al wat verboden was, is plots niet meer verboden, dus toegelaten, en wordt dan ook mateloos gecommercialiseerd, geëxploiteerd en geconsumeerd. Maar we zijn de diepere betekenis kwijt. Nadat we eerst het kind met het badwater hadden weggegooid, hebben we nu het badwater wel terug, maar het kind is er niet meer.
Een vergelijkbaar verschijnsel heeft zich voorgedaan met wat nu “sport” heet en in feite zou moeten gaan om een lichaamscultuur die uiteindelijk tot doel heeft het lichaam als een heilige tempel te eren en te onderhouden. De praktijk is echter verworden tot een zinloos en betekenisloos commercieel gedoe van concurrentie en competitie met titels en medailles waar de meesten alleen passief, als consumenten aan deelnemen.


Omdat wij concepten als “heilig”, “mysterieus” of “goddelijk” niet meer kennen, kunnen wij ze ook niet meer zien. Niet in de erotiek, niet elders. Als wij het verheffende en het verhevene niet meer kunnen zien, blijft alleen het banale over. Men kan ook schilderijen als “alleen maar” verf op een doek, muziek als “alleen maar” noten na elkaar, en seks als “alleen maar” te consumeren plezier zien.


Mensen zijn altijd al gefascineerd geweest door het menselijke lichaam, van bij de antieke Grieken tot in de moderne kunst. Kunst werd dan ook vaak als excuus gebruikt om de mens toe te laten zijn schroom te overstijgen en de blik over de schoonheid van het menselijke lichaam te laten gaan. Waarom zou immers het mooiste en meest volmaakte wezen niet bekeken mogen worden? Maar wat is dan het verschil tussen naakt in de kunst en naakt in de pornografie? En wat is uiteindelijk pornografie? Er is geen steekhoudende definitie van pornografie. Er bestaat alleen een pornografische manier van kijken. Een naakt lichaam of mensen die de liefde bedrijven is niet obsceen en niet pornografisch. Men kan er alleen op een pornografische manier naar kijken. “Pornography is in the eye of the beholder.” Men kan ook op een pornografische wijze naar de Mona Lisa van Leonardo da Vinci of naar de Geboorte van Venus van Boticelli kijken. De pornografische blik is de blik die niet het heilige, het mysterieuze, het goddelijke ziet, maar die alleen zoekt naar het eigen gebruik, het onmiddellijke eigen genot. Het gaat dan niet om de vraag: welk mysterie openbaart zich hier, maar welk genot kan dit mij verschaffen? Het is leven als een bij die nectar verzamelt. De pornografische blik is de blik van de platvloerse consument.


Op net zo’n pornografische, consumptiegerichte manier kan men ook naar de aarde, naar de natuur, naar de samenleving, naar mensen, naar dieren, naar planten, naar voedsel kijken. Het is de blik die in de buitenwereld alleen maar mogelijkheden tot eigen genot zoekt. Men kan dus ook pornografisch eten, als men alleen denkt aan het voldoen van de eigen behoeften. Uiteraard is dit aspect in de activiteit van het eten altijd ook aanwezig, maar men kan tegelijk ook bewust zijn van het feit dat men door het eten van andere organismen (planten, dieren) deel uitmaakt van het grote proces van het leven. Men kan dankbaar en respectvol zijn voor het leven (planten, dieren) dat geleefd heeft en dat men nu opneemt in het eigen leven. Op die manier ontstaat een gevoel van verbinding met andere levende wezens en met de hele natuur. Dan wordt zelfs eten een sacraal gebeuren. Dat vergt alleen aandachtiger leven, met meer mindfulness…


Op dezelfde manier kan men seksualiteit, gaande van het bekijken van al dan niet tot kunst verheven afbeeldingen tot de intieme penetratie en vereniging met een ander persoon, zien als alleen maar een activiteit voor het bevredigen van de eigen behoeften, of als een activiteit waardoor men toetreedt tot een grotere orde, tot het mysterie van het leven. De schoonheid van een menselijk lichaam, net als de schoonheid van een roos of de schoonheid van de sterrenhemel, kan een mystieke beleving zijn. l’Origine du Monde van Gustave Courbet kan met een mystieke blik bekeken worden en de seksuele vereniging kan een sacraal gebeuren zijn, een meditatie, een daad van mystieke overgave.


Het feit dat bepaalde mensen hun lichamelijke kwaliteiten ook aanwenden als broodwinning, zowel in de dure erotische tempels als de Crazy Horse of de Lido in Parijs, als in de goedkopere versies van de peepshows, de erotica-beurzen of de nachtprogramma’s op de commerciële televisiezenders, verandert daar niets aan. Ook onder de string van een paaldanseres of onder de push-up van een stripteaseuse klopt een menselijk hart, ook als de betrokkenen zelf op respectloze wijze met het eigen lichaam omgaan. Wij kunnen alleen maar met mededogen kijken naar mensen die denken dat ze op die manier gelukkiger zullen worden of die geen andere keuze denken te hebben of misschien inderdaad niet hebben. Waarom zou het overigens zo veel respectabeler en nobeler zijn onze hersenen en ons denkvermogen te verhuren dan andere aspecten van ons zijn? Waarom zouden meisjes die hun bekoorlijkheden tonen minder respectabel zijn dan sporters die hun spierbundels tonen? Verhuren topsporters dan niet hun lichaam? Verhuren wij niet allemaal iets? En wie zou met hen willen ruilen? Is dat niet een louter conventionele burgerlijkheid die de wereld opdeelt in goeden en slechten, in een kaste van respectabele “nobelen” en een kaste van verwerpelijke “niet-nobelen”, van “zuiveren” en “onzuiveren”? (“Dank u Heer, dat ik niet ben zoals die!”)


In Oosterse culturen was seksualiteit en erotiek een heilige zaak, een toegang tot de wereld van de mystieke beleving. In vele Oosterse culturen zijn er overvloedig afbeeldingen van naakte mensen en paren die op diverse manieren de lichamelijke liefde beleven. Het beoefenen van de liefde was niet alleen een kunst, zoals beschreven in de Kama-Sutra, maar ook een symbool van het zich verbinden, niet alleen met een bepaald mens, maar uiteindelijk met het hele leven, met de kosmos. In het Tibetaanse Boeddhisme wordt de liefdesdaad, beginnend met een glimlach, via een omhelzing en eindigend in een orgasme, dan ook als model gesteld voor de weg van mededogen en verlichting.

zaterdag 7 juni 2008

Ik heb alles wat ik mij kan wensen, en toch voel ik mij niet gelukkig. Is er misschien iets mis met mij? Doe ik iets verkeerd?

Je doet op zich helemaal niets “verkeerd”. Maar op de eerste plaats maakt de vraag duidelijk dat “alles hebben” inderdaad niet hetzelfde is als gelukkig zijn. Integendeel: voor wie alles heeft, blijft er niets meer te verlangen, geen enkel perspectief, geen enkel doel. Dat wordt doorgaans niet als een toestand van “geluk” ervaren maar als een toestand van leegte, onwelzijn en stress. De mens is kennelijk gemaakt om te klimmen en te exploreren, niet om lekker niets te doen.

Op de tweede plaats blijkt uit deze vraag de vaak gemaakte verwarring tussen plezier en geluk. De meesten onder ons hebben moeite met dit onderscheid. Onze hersenen hebben daar blijkbaar moeite mee. Wij leren dit onderscheid ook niet maken omdat wij leven in een samenleving die vrijwel uitsluitend gericht is op amusement en op het najagen van genietingen en bevrediging van behoeften, van lichamelijke geneugten en emotionele genoegdoeningen, van leuke ervaringen en spannende belevingen, maar waar weinig geluk is.

Geluk daarentegen is een meer existentiële, spirituele beleving. Een eenvoudige vuistregel is: een plezier is iets goeds, iets aangenaams dat je overkomt en waar je kan van genieten (lekker eten, bezittingen, een woning, een auto, een boot, een reis, een vakantie, sociaal succes, …). Plezier is afhankelijk van omstandigheden en is onderhevig aan tijdelijke modeverschijnselen. Geluk daarentegen is niet iets dat je kunt “hebben” of “bezitten”. Het is een beleving, de ervaring dat je zelf iets goeds doet, dat er iets goeds van je uitgaat, dat je een bijdrage levert aan het leven, dat je iets geeft, dat je leven een zin en een betekenis heeft die niet afhankelijk is van omstandigheden of voorbijgaande modes. Een geluk dat niet veroorzaakt of beïnvloed wordt door omstandigheden, kan alleen maar het geluk zijn om het zijn zelf. Het geluk in leven te zijn. Het geluk er te zijn. Het volstaat terug te denken aan een ogenblik dat je gelukkig was. Waardoor was je toen gelukkig? Als je gelukkig bent, is het altijd om iets dat in jezelf is, een beeld van de werkelijkheid of van een persoon. Geluk is een intern proces. Wat niet in jezelf is, kan je niet gelukkig maken. Dat kun je dus ook altijd opnieuw beleven …!

Een kind kent nog alleen maar genoegdoeningen, het voldaan worden van behoeften. Een kind moet alleen maar krijgen omdat het nog niet kan geven.

Een volwassene kan echter niet echt gelukkig zijn door alleen maar te krijgen.

Om dat duidelijker in te zien, kun je het volgende gedachtenexperiment bedenken. Stel dat je de mogelijkheid zou hebben om je te laten verbinden met een gesofistikeerd en geavanceerd apparaat dat niet alleen je hersenactiviteit registreert maar bovendien de juiste hersencentra stimuleert zodat je altijd goede en fijne gevoelens hebt. Om het echt te doen lijken en verveling te vermijden, zouden diverse vormen van stimulatie elkaar willekeurig en onvoorspelbaar opvolgen. Bovendien zou het apparaat ervoor zorgen dat je niet meer zou weten dat je aan een machine gekoppeld bent maar dat je overtuigd zou zijn dat je alles echt meemaakt. Zou je in die omstandigheden willen tekenen om een dergelijke ervaring mee te maken? De meeste mensen die ernstig over de vraag nadenken, bedanken ervoor. Waarom? Merkwaardig toch? Mensen willen zich toch goed voelen? Jazeker, maar mensen willen zich niet zomaar goed voelen, zij willen ook het idee hebben dat zij zich goed voelen om de juiste redenen, omdat zij iets goeds gedaan hebben! Zij willen het goed voelen ook verdiend hebben!

Een volwassene heeft inderdaad een ethische dimensie en heeft het ook nodig te weten dat hij iets goeds doet, dat hij iets geeft, dat hij belangrijk is. Een kind leeft emotie-gestuurd en doet dingen omdat ze leuk zijn, een volwassene is in principe waarde-gestuurd en doet dingen omdat ze waardevol zijn, omdat zij een betekenisvolle bijdrage leveren. Dat kan een bijdrage zijn op wetenschappelijk of artistiek terrein, of op politiek of sociaal terrein, of op relationeel of familiaal terrein.

Iets goeds doen leidt tot de ervaring van geluk, die een diepere ervaring is dan de ervaring van genoegdoening. Geluk is dus ook geen optelsom van genoegdoeningen. Het is een andere dimensie. Daarom zullen alle genoegens en pleziertjes die je hebt (goeie baan, mooie woning, auto, vakanties…) je nooit tot geluk brengen. Je voelt je niet gelukkig omdat er een gevoel van leegte achterblijft, een honger naar zinvolheid, een spirituele honger die nooit opgevuld kan worden door lichamelijke of emotionele genoegdoeningen.

Gelukkig zijn hangt dus niet af van wat je hebt of wat je doet. Een vuilnisophaler kan gelukkiger zijn dan een directeur of een hoogleraar. Maar in onze samenleving wordt ons voorgehouden dat je allerlei dingen “nodig hebt” om gelukkig te zijn. Als je geluk moet hebben om gelukkig te zijn, dan ben je niet echt gelukkig.

Het is een mythe dat je ook maar iets nodig zou hebben om gelukkig te kunnen zijn. Je hebt geen enkele reden nodig om gelukkig te zijn. Niets in de wereld kan je gelukkig maken, maar alles in de wereld kan je inspireren om gelukkig te zijn. Je kunt gewoon gelukkig zijn zonder meer, omdat je leeft, omdat je er bent, omdat je als het ware verliefd bent op het leven.

Hoe kun je nu verliefd worden op het leven!!?

Het gaat natuurlijk om spirituele verliefdheid, niet om romantische of seksuele verliefdheid. Toch is er een grote gelijkenis.
Je kunt namelijk verliefd zijn op het leven op dezelfde manier als je verliefd kunt zijn op een vrouw of op een man: door je open te stellen voor de schoonheid, voor het mysterie.
Krishnamurti zei “Verliefd worden op een mens is God ontmoeten in die mens.” God is immers alleen maar een andere naam voor het mysterie, voor dat wat we niet begrijpen, maar wat ons vervult. Ook Dostojevsky zag het zo.
Verliefd worden is een ervaring van volheid.
Een belangrijk aspect van verliefdheid is dat diegene waarop je verliefd bent daarvoor niets hoeft te doen. Het volstaat dat de persoon er is en dat je er mag bij zijn of dat je weet dat hij bestaat. De persoon waarop je verliefd bent moet je niet gelukkig maken, je bent gewoon gelukkig en vervuld omdat je er mag bij zijn!
Elke esthetische ervaring kan daartoe model staan. Als je een roos bekijkt en vervuld wordt door de schoonheid, kun je beseffen dat wat we de schoonheid noemen, in feite onvatbaar, onverklaarbaar, en onmededeelbaar is. Je kunt alleen stil zijn want al wat je er kunt over zeggen mist de essentie, alle woorden schieten tekort. Er is alleen de ervaring van vreugde en vervuld zijn, en die ervaring is onbenoembaar en onmededeelbaar.
Als iemand dus zegt in die roos, of in die man of in die vrouw niets te zien, dan ben je machteloos. Je kunt het immers niet uitleggen of bewijzen, je kunt alleen uitnodigen om te proberen het ook te zien. Het is juist als onze woorden zwijgen, als ons analytische denken zwijgt, omdat “er niets te zeggen is”, dat de ervaring van schoonheid kan ontstaan. Zolang we dat proberen uit te leggen, te begrijpen of te beoordelen, zullen we de ervaring niet hebben.
Je kunt de schoonheid leren zien in een mens, een kind, een dier, een bloem, een insect, een kei, de sterren, de levende wereld, de hele natuur, het hele leven…
Zo kun je ook gefascineerd worden, verliefd worden op het leven als je gaat zien dat het hele leven in feite als een roos is die zich opent en ontvouwt. Dat is de betekenis van mindfulness. Als je op die manier gaat kijken, wakker wordt, de ogen opent, stil staat, en het mysterie laat binnenkomen, kun je de schoonheid van het leven ervaren.

woensdag 7 mei 2008

Hoe vind ik een goede therapeut? Wie moet ik geloven? Ik hoor zoveel verschillende meningen en adviezen…

Onder invloed van het rationele, wetenschappelijke denken is er in het westen een soort obsessie met de “waarheid” ontstaan. In de wetenschap, die over de materiële werkelijkheid gaat, kun je inderdaad toetsen of een bepaalde bewering met de realiteit overeenstemt. Je kan dus aantonen of een bepaalde uitspraak al dan niet “waar” is.

In het geval van levensproblemen liggen de zaken echter heel anders. Het leven kan beter vergeleken worden met het maken van een reis. Als je van een bepaalde plaats naar een andere wil gaan, zijn er mogelijk meerdere wegen om dat te doen. Géén van die wegen is de enige “ware”. Als je een kaart hebt, kies je een bepaalde weg, en je houdt je daaraan, zonder er van uit te gaan dat dit de enige ware weg zou zijn. Integendeel, je weet best dat er andere wegen zijn die even goed tot het doel leiden. Als je echter doorheen een gebied wil waarvan je géén kaart hebt, dan kun je alleen maar een gids kiezen en daarop vertrouwen. Een gids kent de streek maar is geen wetenschappelijk onderzoeker en je gaat hem niet voortdurend lastigvallen met wat je misschien op de televisie gehoord hebt of in de krant gelezen hebt over het laatste onderzoek.

Het leven is zo’n soort reis door een onbekend gebied. Je kan dus alleen maar vertrouwen op een gids of op een bepaalde kaart, d.i. op een bepaalde filosofie of wijsheid, zonder dat je “wetenschappelijk” kan aantonen dat dat de enige ware zou zijn. De enige ware weg bestaat namelijk niet.

Het verwarrende is echter dat al die gidsen en wijsheidsstelsels zich toch als de enige ware aandienen en beweren dat de andere niet goed of zelfs verkeerd zouden zijn. Voor de arme reiziger maakt dat het er bepaald niet eenvoudiger op...

Vele mensen kiezen niet bewust een bepaalde gids of een bepaalde filosofie maar volgen gewoon wat hun ouders deden of wat “men” denkt en zegt en normaal vindt. Vele mensen noemen dat “spontaan” zijn, wat eigenlijk wil zeggen “onnadenkend” zijn. Je kiest er dan in feite voor om de meerderheid als gids te nemen. Als dat je keuze is, en je hebt vrede met de gevolgen van die keuze, dan is daar natuurlijk niets mis mee. Het is bovendien uiteraard wel zo gemakkelijk…

Zou er geen erkende opleiding voor therapeuten moeten zijn?

Dit is een begrijpelijke vraag. Helaas lost een “erkenning” de zaak niet op want niemand zeggen welke opleiding dat dan zou moeten zijn. Er is immers geen wetenschap over de mens en over menselijke problemen. Er is dus ook geen wetenschappelijk gefundeerde benadering om problemen aan te pakken. Therapie is nog altijd meer een kunst dan een wetenschap, en dat zal in ieder geval nog lang zo blijven. Er is ook geen erkende opleiding die kan garanderen dat men een goed kunstenaar wordt. Men kan wel bepaalde technieken aanleren, maar dat garandeert niet het resultaat.

Maar de overheid zou de therapeutische wereld toch beter moeten reglementeren!

Ook dat is een begrijpelijke vraag. Ze wijst op de betrachting zich te verzekeren van een goede werking en zich te beschermen tegen onjuiste praktijken. Hoewel dit verlangen begrijpelijk is, geldt dezelfde opmerking als hierboven: therapie is meer een kunst dan een wetenschap.

woensdag 2 april 2008

Ik denk dat ik mezelf niet het recht geef er te zijn! Ik heb al zoveel therapeuten bezocht, maar niemand lijkt mij te kunnen helpen…

Dat is uiteraard een heel boeiende vraag.
Deze vraag (waarop overigens vele varianten zijn) klinkt dan ook zo ongelooflijk diepzinnig. Ik weet niet eens of ik wel voldoende geschoold ben om daar een antwoord op te kunnen geven…
Maar deze vraag is ook een gigantische bananenschil waarop therapeuten evenveel gevaar lopen om uit te glijden als uzelf…

Om te beginnen suggereert uw vraag dat het uw taak zou zijn of dat u zelfs maar de mogelijkheid zou hebben om bestaansrechten toe te kennen en te beslissen wie er mag zijn en wie niet. Dat lijkt mij toch een enigszins overtrokken mening. Ofschoon de vraag op een diep probleem van zelftwijfel lijkt te wijzen, neemt u daarmee in feite een zeer arrogante houding aan: die van opperrechter over wie er mag zijn en wie niet.

U hebt uzelf niet gemaakt en het is ook niet aan u om te beslissen of u er mag zijn. U hebt het recht er te zijn omdat het leven u heeft uitgenodigd om er te zijn. Dat is alles. U hoeft daar verder niets speciaals voor te doen of te bewijzen. Niemand heeft daar verder over te beslissen.

Maar uw vraag suggereert nog iets anders: dat u eerst tot de kern van het bestaan moet doordringen en moeilijke existentiële vragen moet oplossen alvorens u gemotiveerd kunt zijn om tot de orde van de dag over te gaan en verantwoordelijkheid voor uw leven op te nemen. Bovendien kunt u daarvoor “in therapie” gaan en de vraag aan uw therapeut(en) voorleggen, zodat u uw onvermogen om uw leven te leiden kunt toeschrijven aan de onbekwaamheid van uw therapeut(en). U toont zich immers uiterst bereidwillig door steeds weer naar therapeuten toe te stappen, maar helaas bent u telkens weer ontgoocheld door de oppervlakkige antwoorden die u krijgt en het onbegrip waarop u stuit. Op die manier kunt u therapeuten voor uw karretje blijven spannen en hoeft u zelf geen verantwoordelijkheid te nemen. Aangezien niemand die vraag afdoende kan beantwoorden (u kunt altijd pareren met een “ja, maar…”) kunt u blijven wachten tot u eindelijk eens een bekwame hulpverlener ontmoet en is er ondertussen weinig gevaar dat u zelf aan de slag moet.

Soortgelijke vragen die op therapeuten als de spreekwoordelijke wortel werken maar die tot patstellingen (zgn. “blokkades”) leiden waar vooral niet-filosofisch geschoolde therapeuten geen raad mee weten zijn:

“Ik weet nog niet of het leven eigenlijk wel zin heeft.” Ook op deze vraag zijn er vele varianten. U kunt gerust zijn: niemand heeft het antwoord op deze vraag.

“Ik moet eerst mezelf vinden alvorens … “ Ook dit is een fabeltje. U bent gewoon altijd uzelf maar u kunt eindeloos blijven verklaren dat u uzelf nog altijd niet gevonden hebt. Misschien vindt u wel therapeuten die met u mee willen zoeken.

“Ik moet eerst maar eens leren meer van mezelf te houden alvorens …” of “Ik moet eerst proberen mijn angsten te overwinnen alvorens … “ De samenleving moet dus nog maar even geduld oefenen tot u daarmee klaar bent. Ondertussen kunt u toch rustig genieten van de voordelen en de tegemoetkomingen van die samenleving.

“In een wereld die zo slecht en onrechtvaardig is, hoeft het voor mij allemaal niet meer.” Dus de wereld moet eerst maar eens zorgen dat ze (naar uw oordeel) beter en rechtvaardiger wordt, vooraleer ze weer op uw medewerking kan rekenen. Ondertussen kunt u toch rustig genieten van de voordelen en de tegemoetkomingen van die samenleving.

“Ik heb al zoveel therapieën geprobeerd en niets lijkt te werken voor mij.” U hebt volkomen gelijk: niets en niemand zal voor u werken. Alleen u kunt voor uzelf werken…