maandag 20 september 2010

Wat is uiteindelijk spiritualiteit?

Het begrip “spiritualiteit” kan op (ten minste) twee manieren gebruikt worden.

Enerzijds betekent spiritualiteit het denken op een hoger niveau van causaliteit, het ontwikkelen van een hoger, transcendent bewustzijn (zie de vraag over bewustzijn). Spiritualiteit is dan het wakker worden uit de gekte, uit de slaap van de vroegere identificaties, uit de talloze vormen van magisch en mythisch denken, uit het mechanische, automatische denken, om tot de loutere vreugde van het zijn te komen.
We moeten dus niets speciaals doen om tot spiritualiteit te komen, we moeten alleen iets loslaten. We moeten niets doen om vrij te zijn, we moeten alleen onze onvrijheid laten vallen, dan zijn we vrij. We moeten niets doen om gelukkig te worden, we moeten alleen ophouden met ongelukkig zijn. We moeten alleen begrijpen, we moeten alleen wakker worden.

Anderzijds wordt spiritualiteit ook gebruikt in de betekenis van nadenken over de diepere zin en de betekenis van het leven. Aangezien de betekenis van iets altijd ontleend wordt uit de plaats die het inneemt in een groter geheel, betekent dit nadenken over het grotere geheel. Dit is volwaardig mens zijn. Een bij vliegt van bloem naar bloem en verzamelt nectar. Zij is zich niet bewust dat zij deelneemt aan de bevruchting van de bloemen en daardoor uiteindelijk aan de evolutie van het leven. Zij heeft dat bewustzijn ook niet nodig want zij stelt zich geen vragen. De rijpere mens stelt zich wel vragen en heeft behoefte aan nadenken over de zin van zijn leven. Hij kan er zich niet mee vergenoegen als een bij te leven.

Een bewustzijn van de diepere zin en betekenis van het leven maakt het mogelijk de vele persoonlijke ongemakken en “tegenslagen” in het leven gemakkelijker te aanvaarden door ze in een groter kader te zien. Het grotere geheel, ongeacht hoe men dit verder benoemt, is er immers niet om voor onze voortdurende genoegdoening te zorgen.


Onder de oppervlakte kijken van alle fenomenen
– personen, dieren, planten en alle situaties –
tot in het onderliggende/bovenliggende, omliggende en alles verbindende etherische web van het alomtegenwoordige, alziende, alhorende, alproevende, alruikende, alrakende spirituele.
En je dan, terwijl je zo diep/ver in de werkelijkheid kijkt,
verbazen over de constante en continue scheppende kracht
van je eigen persoonlijke universum
en je zo gelukkig en licht voelen dat je besluit
om jezelf constant te herinneren aan die onuitsprekelijke aanwezigheid,
niet omwille van die aanwezigheid, maar omwille van jezelf.
En op die manier draag je dat bewustzijn liefdevol mee bij alles wat je doet,
altijd, wat er ook gebeurt.
Dat is spiritualiteit.

BAREFOOT DOCTOR

dinsdag 7 september 2010

Wat is wijsheid?

Wijsheid is het omgaan met de onvermijdelijke kloof tussen het wenselijke en het haalbare.
In het individuele leven heet dat levenswijsheid.
In een relatie heet dat relatievaardigheid.
In de samenleving heet dat politiek.
Het is een combinatie van conventionele intelligentie met emotionele en sociale intelligentie.
Het is omgaan met onze wensen en verlangens enerzijds en met de reële mogelijkheden en beperkingen anderzijds. Het is omgaan met het kind in ons en met de volwassene in ons. Het is omgaan met kortetermijnbevrediging en langetermijndoelstellingen.
Het is het bewandelen van de middenweg.

De Boeddha vergeleek wijsheid met de snaren van een luit. Als ze te hard gespannen zijn krijg je een schriel en scherp geluid. Als ze te slap gespannen zijn krijg je vormloze geluiden. Pas als ze matig gespannen zijn, krijg je warme tonen waarmee je muziek kunt maken. Wijsheid is fijnbesnaardheid.

Aristoteles zei reeds dat elke deugd door overdrijving een ondeugd wordt. Omgekeerd bevat dus ook elke ondeugd iets waardevols.
Dat is ook het idee achter de zogenaamde kernkwadranten van Daniël Ofman.

Wijsheden zijn geen wetenschappelijk, mathematisch of logisch aantoonbare waarheden. Een uitspraak als “Wie goed doet, goed ontmoet”, is geen wetenschappelijke waarheid. Een uitspraak als die van Kahlil Gibran: “Pijn is het breken van de schaal rond het begrijpen” is dat evenmin. Het zijn adviezen voor een gelukkiger leven, die men al dan niet kan aannemen. Wie dergelijke adviezen ter harte neemt en die wijsheid tot de zijne maakt, zal doorgaans vaststellen dat het leven er gelukkiger van wordt en dat ook anderen er beter van worden. Dat is ook waar het om gaat: wordt uw eigen leven en/of dat van anderen er beter van of niet. Niemand kan immers de objectieve “waarheid” of “onwaarheid” van dergelijke uitspraken aantonen.

Wijsheid is beseffen dat wij de wereld niet zien zoals ze is, maar zoals wij zijn. Vele denkers hebben dit gezegd en dit wordt bovendien ook wetenschappelijk steeds meer bevestigd. Onze waarneming is altijd gekleurd. Dat betekent dat wat wij in de wereld en in de anderen zien, grotendeels een projectie van onze eigen innerlijke ingesteldheid is. Wie het leven als een strijd ziet, kijkt vanuit een ingesteldheid van oorlog. Wie het leven als saai en banaal ziet, kijkt vanuit de saaiheid en de banaliteit in zichzelf. Wie de wereld als een wonder ziet, kijkt vanuit een ingesteldheid van verwondering. Wat we op die manier denken te “zien”, bevestigt dan de “juistheid” van onze innerlijke ingesteldheid. Marianne Williamson merkte op: “ons vermogen om ons blind te maken voor de schoonheid en het wonder van de wereld is fenomenaal.” Confucius zei dat wie in de ander een Boeddha ziet, een Boeddha in het hart heeft, terwijl wie de ander als een onmens ziet, onmenselijkheid in het hart heeft…

Wijsheid is beseffen dat het leven in wezen goed is. Het leven is het ultieme goede en het goede is het leven. Al wat goed is, is een uiting van het leven. Leven is het enige wat nodig is, de enige reden om gelukkig te zijn. Al te veel mensen beseffen evenwel slechts op het einde van hun leven of ter gelegenheid van een ernstige ziekte, dat het leven het enige goed is dat echt kostbaar is. Geen enkele bezitting en geen enkel vastgoed weegt op tegen het “levensgoed”.

Wijsheid is beseffen dat het leven altijd onbegrijpelijk en onvoorspelbaar is en dat veiligheid, zekerheid en voorspelbaarheid illusies zijn. Het leven ontsnapt altijd aan onze pogingen het in theoretische begrippen en regels te vatten en een orde op te leggen waardoor we het zouden kunnen “begrijpen”. Het leven is creatie, een avontuur. De enige passende houding is een open houding van nieuwsgierigheid naar het avontuur, als een reiziger, als een onderzoeker, als een antropoloog. Er zijn geen positieve en negatieve gebeurtenissen, er zijn alleen merkwaardige, verrassende gebeurtenissen.

Wijsheid is het onderscheid kennen tussen belangrijke en onbelangrijke dingen. Vele mensen vinden hun bezittingen, hun woning, hun succes, hun carrière, hun status, hun populariteit het belangrijkst. Daarnaast spreken ze over de “kleine dingen” zoals wakker worden ’s ochtends, de zon zien, de lucht zien, ademen, het lichaam kunnen bewegen, kunnen opstaan en lopen, hun hond of hun kat kunnen aaien, bloemen kunnen bekijken… In werkelijkheid zijn dat nochtans de belangrijke dingen, de wonderlijke dingen waar we ons kunnen over verwonderen. Vaak hebben mensen het nodig de dood in de ogen te kijken, alvorens te beseffen dat ze al wat ze belangrijk vonden graag zouden willen geven om dat ene terug te krijgen wat echt belangrijk is: het leven. Dat is het ene dat niet meer terug te krijgen is. Al de rest is in feite bijkomstig…

Wijsheid is beseffen dat al wat wij en anderen doen en al onze emoties van een goede intentie vertrekken en het goede tot doel hebben. Alleen zijn onze emoties en onze daden soms te klein, te kortzichtig, te onwetend. Alleen zijn we te veel gehecht aan bepaalde zaken die we denken nodig te hebben en verzetten we ons te veel tegen andere. Vandaar dat de Boeddha zei: alle kwaad komt van onwetendheid. Onwetendheid over wat werkelijk tot het goede leven en tot geluk kan leiden. Niemand wordt gedreven door het kwade om het kwade. Altijd is er het geloof dat men zich door een bepaalde daad beter zal voelen. Iedereen probeert zich immers goed te voelen. Alleen weet niet iedereen even goed hoe dat te doen. Als men met mededogen naar een misdadiger kijkt, vindt men altijd een ongelukkig kind. En een kind probeert in zijn onwetendheid van zijn onwelzijn af te komen door wild om zich heen te trappen, tegen al wat toevallig in de buurt is, mensen en dingen. Een volwassene kent andere methoden, hij kan in therapie gaan, een gedicht schrijven of een boek lezen. Een kind trapt om zich heen. Een kind weet niet beter. Vele kinderen leven in volwassen lichamen.

Wijsheid is ook beseffen dat niet alles om je eigen persoon draait, dat het universum er niet is om het je naar de zin te maken en dat vele ongelukkige gebeurtenissen het gevolg zijn van blinde (onwetende!) krachten en niet van een vijandige aanslag van slechte mensen op jouw hoogstpersoonlijk welzijn. Blinde krachten in de vorm van een boom die op je valt, die op je kind valt, of blinde krachten in de vorm van een ongelukkig mens die op je valt, die op je kind valt, omdat je toevallig op de plaats bent waar die blinde krachten samenkomen. Wijsheid is de wereld aanvaarden zoals ze is, in plaats van ze te zien door de bril van “leuk” of “niet-leuk”. Met de woorden van Seneca: “… een beetje minder spijt over het verleden, een beetje minder angst voor de toekomst, en een beetje meer liefde voor het heden.”

Wijsheid is ook het leven zien als een prachtige reis op een prachtig cruise-schip. Het schip doet de prachtigste plaatsen aan: Madagascar, de Malediven, de Balearen, de Caraïben, Australië, Polynesië… Maar de meeste passagiers vergeten naar buiten te kijken en zijn volkomen in beslag genomen door de kleine probleempjes met hun comfort, met het eten, met het slapen, met hun kleding, met het nagaan of de buurman niet meer heeft gekregen dan zij zelf, of ze niet teveel moeten betalen voor hun extra drankjes… En ondertussen schuiven de prachtigste landschappen voorbij… Tot men aan het einde van de reis vaststelt dat het een enkele reis was, er is geen terugkeer, wat men niet gezien heeft is voorbij, men is vergeten gelukkig te zijn.

zondag 5 september 2010

Wat is de tijd? Wat is een goed tijdsgebruik?

De vraag naar het bestaan van de tijd komt uiteindelijk neer op de vraag naar het bestaan van beweging. Het idee van tijd is immers onlosmakelijk verbonden met het idee van beweging, net zoals afstand onlosmakelijk verbonden is met het idee van ruimte. Men zou zich ook kunnen afvragen of afstand wel bestaat. Afstand is gewoon een maat voor de ruimte zoals tijd een maat is voor beweging.

Als niets beweegt, is er ook geen tijd. Tijd is een maat voor het evalueren van beweging. Omgekeerd meten we de tijd met behulp van beweging: de beweging van de aarde om haar as, de beweging van de aarde om de zon, of de beweging van een radertje in een uurwerk of van atomen in een atoomklok.
Vóór het universum bestond, was er dus ook geen tijd, omdat er eenvoudigweg geen beweging was.
Als het universum ooit zal ophouden te bestaan, zal ook de tijd ophouden te bestaan omdat er geen beweging meer zal zijn. Dat zal dan niet de eeuwigheid zijn, maar de tijdloosheid.

Daarnaast kan onderscheid worden gemaakt tussen de externe kloktijd en de interne tijdsbeleving. De externe kloktijd is een afspraak die nodig is om het leven te organiseren en afspraken te maken. Hij is te vergelijken met de afmetingen van een landschap in kilometer. Dat is een handige maat, maar het zegt niets over de beleving van dat landschap. De tijdsdimensie staat naast de drie dimensies van de ruimte.

Een probleem is dat mensen steeds meer volgens de externe kloktijd (het agenda) leven en bijna geen vat meer hebben op hun interne tijdsbeleving. We dreigen een soort automaten te worden die gestuurd worden door de tijd en door de waan van de dag. Zelfs van kinderen is de tijdsbesteding al bijna tot op de minuut geregeld. Tijd om na te denken is er niet meer bij. Je moet altijd iets te doen hebben en je moet het liefst druk hebben. Er is geen tijd meer om tijd te hebben…

Wat is het geheim van een goed tijdsgebruik?

Men kan niet meer tijd in het leven brengen.
Men kan wel meer leven in de tijd brengen.
Leef elk moment alsof het je laatste is.
Leer elk moment alsof je eeuwig zult leven.

vrijdag 20 augustus 2010

Bestaat er een God?

Bestaat de schoonheid van een roos? Bestaat het mysterie van het leven? Bestaat het wonder van de liefde?

Bij deze vragen gaat het dus niet om een god die ingeroepen wordt om datgene te verklaren wat de wetenschap nog niet kan verklaren. Het gaat niet om een god die de leemten in onze kennis moet opvullen. Het gaat om ervaringen waar de wetenschap sowieso niets over te zeggen heeft en niets over kán zeggen. De wetenschap kán ons niets zeggen over de ervaring van de schoonheid van een roos of van een geliefde.

Mensen die zeggen niet in een god te geloven, verklaren in feite niet te geloven in een bepaald godsbeeld, een bepaalde religieuze iconografie en een bepaalde godsdienstige praktijk. Een god die zich zou bezig houden met het opleggen van wetten aan zijn schepselen en die boos of verdrietig zou zijn over het gedrag van zijn schepselen, kan inderdaad niet veel respect afdwingen.

Maar wie in het leven gelooft, gelooft ook in god want god is gewoon alles wat er is. God is gewoon een ander woord voor wat wij “schoonheid” en “mysterie” noemen.
Natuurlijk kan iemand zeggen dat hij de schoonheid van een roos of het mysterie van het leven niet ziet en dat hij er dus niet in gelooft. Maar iemand die dat zou zeggen, zou ons niet overtuigen van de juistheid van zijn visie, maar eerder van zijn blindheid… Toch zou je zo iemand niet van zijn overtuiging af kunnen brengen. Als iemand de schoonheid niet ziet, dan kun je daar niets tegen beginnen, tenzij hem uitnodigen de ogen te openen en nog eens te kijken …

dinsdag 10 augustus 2010

Maar de wetenschap heeft toch aangetoond dat alles neerkomt op chemische reacties in de hersenen?

Dat hebt u helemaal goed begrepen.
Alles wat een mens doet is uiteindelijk het resultaat van vele miljarden neuronen die neurotransmitters afvuren in synapsen en verbindingen maken met vele duizenden andere neuronen. Dat is veel meer informatie dan het bewustzijn kan bevatten en begrijpen. Het bewustzijn kan de enorme hoeveelheid informatie op microniveau onmogelijk verwerken. Net zoals wij een televisiebeeld niet kunnen begrijpen door de kleur en de helderheid van alle pixels van het beeldscherm na te gaan.
Hoewel wij dus weten dat de uiteindelijke causaliteit op microniveau ligt, is dat niet het niveau van onze ervaring.
Wij kunnen ook een dans niet begrijpen door alle spiercontracties van de danser na te gaan en wij kunnen een schilderij niet begrijpen door de eigenschappen van de verf te onderzoeken.
Wij kunnen weliswaar op microniveau wetenschappelijk onderzoek doen, maar dan verliezen we de ervaring op macroniveau. Wij kunnen uit het onderzoek van de cellen en de moleculen van een roos nooit de ervaring van schoonheid van de roos begrijpen, net zoals we uit het onderzoek van de letters in een roman nooit het verhaal van de roman zullen begrijpen.

Volgens neurochemische theorieën is het therapeutische effect van antidepressiva toe te schrijven aan een beïnvloeding van processen op het niveau van de neurotransmissie. De empirische en conceptuele kloof tussen neurochemische processen en depressieve klachten en symptomen verklaren echter de beperkte verklarende kracht van deze theorieën. In neurochemische theorieën worden immers concepten gebruikt (neurotransmitters, receptoren …) die zo sterk verschillen van de concepten waarmee een depressie wordt beschreven (sombere stemming, waardeloosheid, zinloosheid, schuldgevoelens…) dat een direct verband tussen beide niet mogelijk lijkt.

Hoewel de wereld inderdaad om elementaire deeltjes of om kwantum-elektrodynamica draait, hebben wij voor het begrijpen van onze ervaring behoefte aan veel grotere, grovere patronen en voor ons hanteerbare concepten als lichaam, geest, religie, emotie, wil, verlangen, schoonheid, liefde, geluk, grootmoedigheid, onzekerheid, trouw, jaloezie, eenzaamheid, humor, angst, woede, depressie, enz. die behoren tot de ongrijpbare dagelijkse patronen van de macrowereld. Dit zijn de entiteiten die betekenis voor ons hebben. Onze diepste overtuigingen hebben geen betrekking op elektronen of op neurochemische begrippen maar op de genoemde mentale categorieën.

Hoewel het juist is dat we kunnen inzoomen op het echte causale niveau van de chemische reacties, of zelfs van de elektrochemische soep van neurale gebeurtenissen of elementaire deeltjes als elektronen en protonen of quarks, gluonen en leptonen, is het pas als we uitzoomen en onze aandacht verschuiven naar een hoger niveau, dat entiteiten in beeld komen die daarvoor volkomen onzichtbaar waren en dat betekenis duidelijk wordt. Het is op dit niveau dat we een voor ons bruikbare kaart van de werkelijkheid vinden, waarop ook het “ik” voorkomt, naast de concepten “binnen” en “buiten”, “zelf” en de “ander”. Het bewustzijn geeft ons een min of meer overzichtelijke kaart van de wereld, van onszelf en van onze plaats in de wereld. Het is onze illusie over onszelf, hoewel er voor de meeste mensen waarschijnlijk niets zo werkelijk lijkt als het idee dat er een echte “ik” huist in ons binnenste. Wij schrijven ons gedrag toe aan dingen die we verlangens of wil noemen, die we op hun beurt toeschrijven aan een “ik”. Het ik is een noodzakelijke mythe. Daniel Dennett noemt het ik ons “centrum van narratieve zwaartekracht.” Zoals wij ogen nodig hebben om te zien, hebben wij een “ik” nodig om te zijn. Maar ook dat is een voorstelling, een hypothese van de werkelijkheid…

Het inzoomen op de lagere niveaus van causaliteit gaat doorgaans gepaard met uitspraken als “Het is toch allemaal maar …” waarbij de drie puntjes naar believen kunnen ingevuld worden door dingen als chemische reacties, neurotransmitters, geld, macht, seks, enz. Dit inzoomen op de lagere niveaus wordt reductionisme of materialisme genoemd en wordt vaak naar voren geschoven door mensen die zich daartoe op de wetenschap beroepen, hoewel dit op zich geen wetenschappelijke uitspraak is. De omgekeerde beweging, het inzoomen op de hogere niveaus (moreel, ethisch, sociaal, politiek, globaal, spiritueel, transcendent…) is kenmerkend voor een meer geestelijke, idealistische, spirituele ingesteldheid. Beide houdingen zijn op zich legitiem en verdienstelijk. Alleen de uitsluitende nadruk op één van beide houdingen leidt tot eenzijdigheid en schept meer verwarring dan helderheid.

Als een fysicus zou proberen een ballet, een liefdesaffaire of een oorlog uit te leggen door erop te wijzen dat deze activiteiten het gevolg zijn van triljoenen en nog eens triljoenen botsingen met behoud van impulsmoment tussen vluchtige kwantummechanische deeltjes, dan wordt niemand daar wijzer van. Niemand zal het in zijn hoofd halen een liefdesverklaring te doen in de aard van: “de oneindige hoeveelheid atomen, moleculen en cellen in jou heeft de oneindige hoeveelheid atomen en moleculen en cellen in mij ertoe aangezet moleculen aan te maken die de moleculen in mijn benen naar deze plaats hebben geleid om jouw moleculen te ontmoeten teneinde…” Maar u begrijpt het natuurlijk al: dit leidt helemaal nergens naar!

Maar alternatieve wetenschap kan toch andere dingen verklaren?

Alternatieve wetenschap is nog altijd wetenschap. Alleen een andere vorm. Het bovenstaande is dus ook geldig voor alternatieve wetenschap. Het belangrijkste verschil is dat wetenschap in principe herhaalbaar en objectief controleerbaar is. Vele alternatieve verklaringen maken gebruik van vage termen als trillingen of energieën waarmee men alles kan verklaren maar niets objectief kan vaststellen. Maar een verklaring, ook een alternatieve verklaring, is nog altijd niet de beleving. De ervaring van de schoonheid van een roos blijft ongrijpbaar voor elke vorm van wetenschap.

Maar alternatieve therapieën werken toch?

Alternatieve therapieën werken inderdaad, waarschijnlijk om dezelfde reden dat vele reguliere therapieën werken: omdat mensen er in geloven. Ook vele genezingen in de reguliere geneeskunde berusten immers in grote mate op het placebo-effect van het geneesmiddel en de arts.

donderdag 5 augustus 2010

Zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen?

Volgens de titel van een populair boek komen mannen van Mars en vrouwen van Venus. Hoewel deze zienswijze uiteraard al te eenvoudig en te veralgemenend is, zegt zij toch iets nuttigs over de belangrijke verschillen tussen de beide geslachten.

Er zijn uiteraard vele reële verschillen tussen mannen en vrouwen. Sommige zijn genetisch bepaald, andere zijn cultureel bepaald. Heel schematisch zijn mannen agressiever, competitiever en beter in abstract denken, terwijl vrouwen meer op verbondenheid en samenwerking gericht zijn en meer taken tegelijk kunnen uitvoeren. In werkelijkheid liggen de zaken natuurlijk complexer en zou het juister zijn te stellen dat zowel mannen als vrouwen een eerder mannelijk of een eerder vrouwelijk brein kunnen hebben.

We kunnen de metafoor van Mars en Venus dan ook beter wat uitbreiden.

We zouden dan kunnen zeggen dat sommige mensen van Mars lijken te komen. Meestal zijn dat mannen, maar iedereen kent toch ook wel vrouwen die daarbij horen. Dat zijn mensen die altijd klaar zijn voor de strijd. Zij zijn rationeel, dominant, perfectionistisch en intolerant. Zij brengen het niet echt ver.

Sommige mensen lijken echter van de Maan te komen. Zij klagen dat mensen misbruik van ze maken en hemelen zichzelf op door te zeggen dat ze “te goed” of “te lief” zijn. In werkelijkheid zijn het doetjes die bang zijn om een confrontatie aan te gaan of door anderen niet leuk gevonden te worden. Mensen kunnen alleen over je heen lopen als je voor ze gaat liggen. Als je je als een voetmat gedraagt, trek je mensen aan die hun voeten willen vegen. Het zijn losers die niet geleerd hebben dat je respect en waardering moet verdienen. Zij komen evenmin ver.

Sommige mensen lijken dan weer van Venus te komen. Dat zijn vaak vrouwen, maar ook een aantal mannen hoort in deze categorie thuis. Venus-mensen zijn vaak ook onzeker en angstig maar zien zichzelf vooral als slim en opportunistisch. Deze mannen en vrouwen gebruiken hun uiterlijk zoals een generaal gebruik maakt van de geografische kenmerken van een slagveld. Met hun verleidingskunsten kunnen zij wel wat winst binnenhalen, maar op lange termijn brengen ook zij het niet echt ver. Als je moet “winnen” om te winnen, ben je geen echte winner.

De echte wijze mensen zijn van de Aarde. Zij bewandelen de middenweg en zoeken een evenwicht tussen verschillende en tegengestelde eigenschappen. Zij zijn veeleisend maar niet onredelijk. Zij zijn vriendelijk en tolerant zonder een doetje te zijn. Zij kunnen charmeren en van hun uiterlijk genieten maar weten wanneer het op inzet en vasthoudendheid aankomt. Zij zijn wellicht niet bij iedereen geliefd maar weten dat men het niet iedereen naar de zin kan maken. Zij hoeven niet zo nodig te “winnen” om te winnen maar genieten wel van het spel.

Uiteraard is de realiteit nooit zo netjes in hokjes op te delen en de meeste mensen zullen wel iets van al deze profielen in zich hebben…

maandag 2 augustus 2010

Hoe ontstaan psychische problemen en symptomen? Wat kan therapie?

Er is geen consensus over een wetenschap die psychologie zou heten. Er is geen wetenschap van de mens als (min of meer) vrij en bewust wezen. Al wie wat literatuur heeft doorgenomen of symposia heeft bijgewoond, weet dat verschillende psychologische stromingen aan dezelfde feiten verschillende betekenissen toeschrijven en de betrokken therapeuten zullen aan hun patiënten dan ook een andere “waarheid” vertellen. Alle therapeuten kunnen verhalen vertellen over patiënten waarbij deze benaderingen “gewerkt” hebben. Al deze “waarheden” blijken dus ook te “werken”…

Een van de dingen die onze inspanningen om iets over de wereld en de mensen te leren, in de weg staan, zijn de verhalen die we te horen krijgen, die we gaan geloven en die we weer doorvertellen aan anderen, waaronder onze kinderen. Deze gedeelde mythologieën kloppen vaak niet met de realiteit en leiden dan tot foute beslissingen, zoals een reiziger die kan verdwalen omdat hij een onjuiste kaart gebruikt.

Het inzicht in de redenen waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen, is achtergebleven bij ons begrip van de materiële wereld of van lichamelijke ziektes. We zien onszelf graag als onafhankelijke individuen met vaste waarden en normen die onze daden op betrouwbare wijze sturen. Er zijn voldoende argumenten dat dit vaak niet het geval is. De experimenten van Stanley Milgram in de jaren 60 in New Haven tonen aan dat gewone mensen ertoe overhaald kunnen worden anderen pijnlijke en zelfs dodelijke elektrische schokken toe te dienen als ze maar dachten dat ze deelnamen aan een “experiment” van Yale University. Al wat vereist was, was iemand in een witte jas die hun vertelde dat ze door moesten gaan. De lectuur van Milgrams boek Obedience to Authority is bijzonder ontnuchterend.

We zijn getuige geweest van de gruwelen van de Holocaust, de afslachting van Vietnamese burgers bij My Lai, gruwelen van de oorlog in de Balkan, de mishandeling van Irakezen in Abu Ghraib, de genocide in Rwanda, de gruwelen in Congo… De conclusie lijkt onontkoombaar dat iedereen tot goede en slechte daden in staat is en uitermate beïnvloedbaar is.

Toch kan gesteld worden dat ons gedrag globaal altijd bedoeld is om ons te beschermen tegen gevaar of om ons aangename gewaarwordingen te verschaffen. Deze gevaren of aangename gewaarwordingen kunnen intern of extern zijn, reëel of ingebeeld, bewust of onbewust. Dat is de basis waarom wij doen wat wij doen. Er is geen ondubbelzinnig verband tussen de uitlokkende gebeurtenis en het gedrag. Mensen kunnen met andere woorden dezelfde symptomen vertonen om verschillende redenen.

Het enige verschil tussen normaal gedrag en symptoomgedrag is dat normaal gedrag doorgaans niet voor problemen zorgt en terwijl symptoomgedrag doorgaans als problematisch wordt bestempeld.

Vanuit een psychoanalytische invalshoek is een symptoom een poging om een onderliggend conflict op te lossen. Het is een symptomatische bovenbouw op een onopgelost conflict, die de betrokkene beschermt tegen het opnieuw beleven van de vroegere ervaring die als ondraaglijk pijnlijk werd ervaren. Dat was het geval bij de initiële gebeurtenis, doorgaans “trauma” genaamd.* Het is die neurotische structuur die het essentiële verschil vormt met gewone, existentiële levensproblemen, waarvoor op zich geen echte therapeutische behandeling vereist is maar die meer te maken hebben met levenskunst en levenswijsheid.

Een symptoom is dus in eerste instantie een oplossing en de betrokkene zal, zelfs als het probleemgedrag hinderlijk is, dit gedrag toch niet gemakkelijk opgeven, tenzij hij ofwel ervan overtuigd raakt dat het vroegere gevaar niet langer bestaat, of geleerd heeft dat er betere oplossingen zijn om zichzelf te beschermen.
Zo kan een negatief beeld van de toekomst (bijv. bij depressie) bescherming bieden tegen mogelijke toekomstige ontgoochelingen en zal angst voor mannen bescherming bieden tegen mogelijke onaangename seksuele ervaringen. Voortdurende zelfkritiek en lage zelfwaardering kan gezien worden als een poging om aan te sporen tot harder je best doen om het beter te doen en aldus te beschermen tegen de mogelijke gevaren van afkeuring door anderen. Antisociaal of ander probleemgedrag kan een bescherming zijn tegen de gevaren van onvoldoende aandacht krijgen van anderen. Helaas slagen symptomen niet vaak in hun opzet…

In een aantal andere gevallen kan de patiënt evenwel een dermate uitzonderlijk aangename ervaring hebben meegemaakt, dat het probleemgedrag of symptoom bedoeld is om die aangename gewaarwordingen opnieuw te kunnen beleven.

In de verschillende theoretische formuleringen van de verschillende therapeutische scholen wordt dit eenvoudige uitgangspunt vertaald in een andere en vaak complexe terminologie met moeilijke en diepzinnig klinkende woorden en begrippen (onbewuste fantasieën of conflicten, trauma’s, ervaringen in de kinderjaren of de adolescentie, neurotransmitters, oedipuscomplex, castratieangst, trauma’s in vorige levens…).

Wat kan een therapie?

Een psychisch probleem kan altijd beschreven worden in termen van een overdracht (“transfer”) van emoties van de ene ervaring met een situatie of persoon naar een andere. Zo kan een vrouw die als adolescente te maken had met ongepast seksueel gedrag van een familielid, als volwassen vrouw bij elk seksueel contact een “onverklaarbare” afkeer voelen. Iemand die in een tunnel onwel is geworden kan een fobie voor tunnels ontwikkelen. Dit is de zogenaamde negatieve transfer. Er zou sprake zijn van een positieve transfer bij een kind dat bijv. een lieve hond als huisdier heeft gehad en daarna altijd een voorliefde voor honden heeft behouden. Het begrijpen van een symptoom is dus het begrijpen van een overdracht.**

Op grond van het voorgaande kan dan gezegd worden dat een therapie uit één of meer van de volgende vier basisstappen zal bestaan:

  1. het ontdekken van een initieel gebeuren (het “trauma”)
  2. het begrijpen van de pijnlijke ervaringen van het initiële gebeuren
  3. begrijpen hoe het symptoom de patiënt beschermt tegen het opnieuw beleven van deze pijnlijke ervaringen
  4. de patiënt helpen te begrijpen dat het vroegere gevaar niet langer een gevaar is en/of dat er betere manieren zijn om zich te beschermen.
De eerste drie stappen zijn bedoeld om “inzicht” te verwerven en het symptoom als het ware te deconstrueren tot onderliggende betekenisstructuren. In het beste geval leidt dat tot een bewustwording van het onderliggende conflict, waardoor de patiënt uitgenodigd wordt er doorheen te gaan en tot andere/betere conclusies te komen, iets wat de patiënt voordien door de symptomatische bovenbouw kon vermijden. Freud waarschuwde zijn leerlingen dan ook dat zij zich bij het begin van een behandeling de vraag moesten stellen of zij de patiënt wel iets beters te bieden hadden dan de (symptomatische) “oplossing“ die de patiënt zelf al gevonden had …

Aangezien alleen laatste stap echt “therapie” is, gaan een aantal theoretische richtingen, vooral de zogenaamde “oplossingsgerichte benaderingen”, er van uit dat alleen stap 4 echt essentieel is om symptoomgedrag te verhelpen. Hoewel dat wellicht waar is, willen vele patiënten toch een antwoord op de “waarom”-vraag. Mensen willen nu eenmaal een soort historische coherentie en causaliteit in hun leven zien. Het is dan ook redelijk op deze vraag in te gaan, op voorwaarde dat dit binnen de redelijke tijdspanne van enkele sessies kan gebeuren. Er kan immers heel wat tijd zoek gemaakt worden met het “naar boven brengen” van “diep materiaal” en dit kan zelfs maken dat de “echte” pathogene patronen niet in beeld komen. Afgezien van de altijd onzekere status van het antwoord op de “waarom”-vraag, kan nochtans aangenomen worden dat het gemakkelijker is om in te zien dat er geen gevaar meer is of dat er betere manieren van bescherming zijn, als men begrijpt wat het gevreesde gevaar juist was. De meeste aandacht moet evenwel toch naar punt 4 gaan. (zie bijv. de vraag over angst)

Conceptueel kan punt 4 gezien worden als de overgang van het ene zelfbeeld, wereldbeeld of paradigma naar een ander, meer bepaald van de leefwereld van het kind van toen naar de leefwereld van de volwassene van nu, van afhankelijkheid en afwezigheid van keuze naar vrijheid en verantwoordelijkheid. In de ervaringswereld komt dat neer op de overgang van het ene symbolische of metaforische mentale landschap naar een ander. Elke afscheid van een zelfbeeld of wereldbeeld gaat evenwel gepaard met gevoelens van angst en onzekerheid. Patiënten (en andere mensen) zullen vaak slechts met moeite hun oude zienswijze opgeven, omdat dit ondanks alles een vertrouwde en comfortabele structuur was die zich vrijwel automatisch (“onbewust”) aandient. Toch is dat de creatieve stap die vooruitgang mogelijk maakt. Problemen wijzen erop dat de grenzen van een denkwereld bereikt zijn. Problemen moeten dus niet weggewerkt of vermeden worden (zoals in het symptoomgedrag juist het geval was), maar moeten toegelaten en aanvaard worden. Een therapie zal dus altijd moeten laveren tussen de klippen van het zien van het probleem als een louter geïsoleerd probleem van het individu buiten elke sociale context versus het zien van het probleem als een louter probleem van externe invloeden waarvan de patiënt het onschuldige “slachtoffer” is.

Een probleem moet omarmd worden zoals een moeder een moeilijk kind omarmt. Een zogenaamd “probleem” is immers een mogelijkheid, een uitnodiging om dieper na te denken en tot nieuwe inzichten te komen, net zoals Einstein in de problemen met het denkmodel van Newton een mogelijkheid heeft gezien om tot een nieuw model te komen. Elke patiënt moet in zijn persoonlijk leven dus een beetje een Einstein zijn. Dat is ook de basis van elke martiale kunst: de energie van de tegenstander niet “bestrijden” maar ze juist gebruiken om tot een oplossing te komen. De positieve psychologie stelt dat in elk patiënt die lijdt, een gezond en intact individu schuilt.***

De oorspronkelijke Griekse betekenis van het woord “therapeut” is “dienaar”. Een therapeut moet ten dienste staan van de patiënt die naar nieuwe inzichten zoekt. Hij kan niet handelen vanuit een groot en arrogant “weten”. Geen enkele therapeutische benadering zal voor de patiënt “werken”. Een therapie kan beter gezien worden als een soort couveuse waarin de therapeut vanuit een bescheiden positie van welwillende samenwerking de patiënt helpt vragen te stellen en te onderzoeken om bepaalde verhalen los te laten en tot andere verhalen en tot een ander symbolisch landschap te komen. Lijden en geluk zijn immers het gevolg van symbolen en verhalen die we voor waar houden…

_________________

* Een trauma hoeft niet altijd objectief heel zwaarwichtig te zijn. Het essentiële is dat de betrokkene er voor zichzelf zwaarwichtige conclusies aan verbindt, zelfs als de gebeurtenis in de ogen van anderen weinig belangrijk is.

** “Begrijpen” moet hier met de nodige reserve gehanteerd worden. Hoewel we kunnen “begrijpen” dat iemand die door een hond gebeten wordt, een fobie voor honden kan ontwikkelen, is duidelijk dat dit niet noodzakelijk het geval zal zijn voor iedereen die door een hond gebeten wordt. Het is volstrekt onmogelijk te voorspellen of te “begrijpen” of een bepaald persoon die door een hond gebeten is, ook een fobie zal ontwikkelen. Net zo begrijpen we dat een griep door het griepvirus veroorzaakt wordt, maar we kunnen onmogelijk voorspellen of een bepaald individu bij contact met het griepvirus ook een griep zal krijgen. Dit gebrek aan voorspelbaarheid is uiteraard een ernstige beperking van de status van onze “wetenschap” van de mens.

*** Dit is een parafrase op Freud die beweerde dat elk gezond persoon een patiënt is die zichzelf niet kent.







dinsdag 20 juli 2010

Hoe verloopt de ontwikkeling van het bewustzijn tot een hoger bewustzijn?

De ontwikkeling het bewustzijn, van geboorte tot volwassenheid, werd door vele onderzoekers en auteurs onderzocht en beschreven.

Elk menselijk wezen begint zijn leven in totale eenheid (symbiose) met de biologische wereld van de moeder. Het pas ontstane en zich ontwikkelende leven krijgt daaruit alles wat het nodig heeft inzake zuurstof, voedende bestanddelen, warmte, enz. Het leeft in een volledige biologische eenheid, die ook na de geboorte nog grotendeels doorgaat. Het is een archaïsche fase waarin het kind zich nog van niets bewust is en alleen betrokken is op zijn biologische overleving, d.i. op het aantrekken van goede dingen en het afstoten van ongewenste dingen. Het leeft in termen van wenselijk en niet-wenselijk. De baby wordt uitsluitend gestuurd door lichamelijk-emotionele impulsen en instincten.

Als het bewustzijn langzaam wakker wordt, treft het kind een wereld aan waarin het omringd is door (in zijn ogen) grote, machtige figuren, die de macht hebben om hem te voeden of niet te voeden, hem warm in te dekken of kou te laten lijden, hem te knuffelen of niet. Hij leeft dus in een soort magische wereld waarin hij onderworpen is aan machten waarop hij aanvankelijk geen enkele macht kan uitoefenen. Later ontdekt het kind dat het een beperkte maar toch zeer reële invloed kan uitoefenen en dat de machtige figuren om hem heen in beweging komen als hij lacht of als hij huilt. Hij ontdekt dus hoe hij door bepaalde activiteiten, bepaalde rituelen, kan maken dat er meer wenselijke dingen naar hem toe komen en ongewenste dingen op afstand kunnen worden gehouden. Op die manier maakt hij kennis met de basisregels van het leven.

Naarmate het kind zich verder ontwikkelt en door de taal toegang krijgt tot de symbolische wereld van de volwassenen, gaat het zijn begrip van de wereld conceptualiseren en structureren in verhalen (sprookjes) die het in zijn gezin of zijn groep van afkomst hoort of die het zelf verzint, en waardoor het denkt zijn invloed en zijn macht in en op de wereld te kunnen vergroten. Dit is de mythische fase, de fase van de verhalen, de sprookjes, de overtuigingen over de wereld en over de anderen en over wat hoort en niet hoort. Het is de fase van het prepersoonlijke, prerationele, conventionele, conformistische denken omdat de culturele verhalen en mythen gaan over wat in de cultuur, in de eigen groep, als normaal en passend wordt beschouwd. Het kind denkt nu in termen van moeten en mogen.

Pas later komt het kind, als adolescent, in een fase van persoonlijk, kritisch, redelijk denken, waarin hij steeds meer als een volwassen mens gaat denken. Het volwassen bewustzijn gaat steeds meer de mythen uit de vroegere perioden aan een kritisch onderzoek onderwerpen. Het gaat zich steeds meer afvragen of het wel redelijk is te blijven geloven wat hij zolang gelooft heeft, wat hem tijdens de opvoeding of de opleiding als waar werd voorgehouden en wat misschien nog als waar wordt voorgehouden. Hij gaat steeds meer vragen stellen bij de culturele verhalen, sprookjes, mythen, clichés en oneliners. Hij beseft niet alleen dat Sinterklaas niet bestaat, maar ook dat vele andere mythen niet langer steek houden. Dat is dan ook de fase van het postconventionele denken. Het kind gaat steeds minder denken in termen van moeten en mogen en steeds meer in termen van waarden, d.i. in termen van abstracte principes die voor iedereen gelden. Dit redelijke, persoonlijke, postconventionele, postconformistische denken neemt de rest van het leven in beslag en is in feite nooit afgerond. Het is de basis van de hele filosofie en van wat wij wetenschap noemen. Het gaat dus niet om een nieuw corpus van kennis die het vorige zou vervangen. Het gaat veel meer om een houding van onderzoek, waarin de vele mythen op hun geloofwaardigheid en bruikbaarheid bevraagd worden. Wetenschap is geen dogmatisch stelsel dat aangeeft wat waar is en wat niet, maar een houding van openheid en van onderzoek. Het is een methode om tot betrouwbare kennnis te komen.

Parallel met de hoger geschetste ontwikkeling is er een beweging naar een steeds groter wordend bewustzijn, van een egocentrisch bewustzijn (ik-bewustzijn) naar een groepsbewustzijn (etnocentrisch wij-bewustzijn) en ten slotte naar een globaliserend, persoonlijk wereldbewustzijn dat alle mensen omvat (wij allemaal). Een kind is van nature egocentrisch. Een volwassene kan in principe een wereldbewustzijn hebben.
Dat geeft overigens toegang tot de nog latere fasen van een nog groter, zogenaamd transpersoonlijk, transrationeel, hoger bewustzijn dat niet alleen alle mensen maar ook de hele natuur, het hele leven en het hele universum omvat. Dat leidt tot mystieke ervaringen en tot zogenaamde transcendentie of spiritualiteit.

In al die fasen zijn er specifieke waarden, manieren van denken en van de wereld zien, manieren van lijden en liefhebben en van relaties aangaan.

Hoe verlopen de overgangen tussen de fasen?

De ontwikkeling verloopt in een proces van differentiatie, desidentificatie en integratie. Datgene waarmee het “ik” zich in een bepaald stadium identificeerde (bijv. het lichaam of de gevoelens), wordt overstegen, getranscendeerd in een hoger stadium. Vanop dit hogere stadium kan de vorige manier van zijn meer objectief, als een object vanop een zekere afstand worden waargenomen. Gevoelens worden gezien als processen die zich in mij voordoen, maar die ik niet ben. Ook gedachten kunnen gezien worden als processen die zich in mij voordoen, maar die ik niet ben. Ik ben telkens diegene die waarneemt. Het “ik” beseft telkens dat het niet was wat het dacht dat het was. Het differentieert en desidentificeert zich ervan. In plaats van te zeggen “ik voel…”, zou het beter zijn te zeggen “er is in mij een gevoel…”. In plaats van te zeggen “ik denk dat …”, zou het beter te zeggen “er wordt in mij gedacht dat …”. Daardoor ontstaat een nieuw bewustzijn, een nieuw “ik” dat vanop een zekere afstand naar het vorige ik kan kijken. Met andere woorden: het subject van het vorige stadium is een object van het volgende stadium geworden. Het nieuwe subject staat op een hoger niveau.

Een baby moet zich eerst letterlijk differentiëren van het lichaam van de moeder, maar blijft nog bijna geheel geïdentificeerd met het eigen lichaam. Naarmate zijn verbaal en conceptueel bewustzijn ontwaakt en toeneemt, kan het zich van het lichaam differentiëren en het vanop een zekere afstand bekijken. Het lichaam is nu een object geworden van het mentale subject. Tegelijk is het lichaam in dat subject geïntegreerd, het is er een onderdeel van geworden. Daardoor ontstaat ook de mogelijkheid met het lichaam om te gaan.
Zo moet het kind zich ook differentiëren en desidentificeren van zijn emoties en van zijn denken.

Het is echter belangrijk te beseffen dat de vorige stadia weliswaar getranscendeerd kunnen worden, maar daardoor niet verdwijnen. Er komt alleen telkens een laag bij. Dat betekent dat men ook altijd, uit bewuste keuze of vaker uit gewoonte, de optie heeft om terug vanuit een vroeger stadium te gaan functioneren. De vroegere stadia en de daarbij horende strategieën zijn immers ouder en dieper biologisch verankerd. Dat betekent dat ook een volwassene, zelfs op hoge leeftijd, nog altijd de mogelijkheid heeft zich te gedragen als een baby die in een magische of mythische wereld leeft en probeert door huilen of eisen te krijgen wat hij denkt nodig te hebben. De oudere mechanismen zijn nog altijd aanwezig. Bewust leven, wakker zijn, betekent juist vanuit een hogere laag een bewuste sturing geven aan het leven. Maar de neiging is altijd aanwezig om weer in een onnadenkend, automatisch gedrag terecht te komen, om weer in een magische en mythische slaap te vallen.

Hoe komt men tot een hoger, transcendent bewustzijn?

Als het proces van desidentificatie verdergaat, kan het bewustzijn steeds meer “ontwaken”, wakker worden, zich steeds meer bewust worden en zich steeds weer differentiëren en “loslaten”. Al wat je kunt denken of voelen, ben je uiteraard niet. Al wat het oog kan zien, kan immers niet het oog zelf zijn. Een gedachte over een appel is niet de appel zelf. Een gedachte over de ander is niet de ander. Een gedachte over jezelf is niet jezelf. Als je elke gedachte weglaat, blijft uiteindelijk alleen nog het loutere bewuste zijn over. Als je niet meer bewust bent van “iets”, blijft alleen nog het loutere bewuste zijn. Dat is de weg naar een hoger bewustzijn, naar transcendentie. Dan kom je in de stilte. Dan besef je dat je de denker, de ziener, het oog zelf bent en altijd al geweest bent.

zaterdag 10 juli 2010

Wat is de ware aard, de essentie van de mens? Wat is bewustzijn?

Een eerste vraag die men zich kan stellen, gaat over de status van ons bewustzijn, onze mentale ruimte, ons waarnemende en reflecterende “ik”. Dit “ik” kunnen we namelijk nergens situeren of aanwijzen. Zodra we over het “ik” nadenken, is er immers een tweede soort “ik” dat toeschouwer lijkt te zijn en gedachten produceert over het eerste “ik”. Maar welk “ik” is dan ons echte “ik”? Welk “ik” zijn we dan? Welke toeschouwer kijkt toe op de toeschouwer? Het “ik” is iets als de horizon, die we denken duidelijk te kunnen ontwaren, maar hoe meer we proberen er bij te komen, hoe meer hij zich lijkt terug te trekken. Het “ik” is voor zichzelf altijd een ander. “Je est un autre” aldus Rimbaud.
Ook als we zeggen “ik denk” of “ik voel”, lijkt dat merkwaardig. Wie is het “ik” dat spreekt over een “ik” dat denkt of voelt? En waar komen die gedachten en gevoelens dan vandaan? Het “ik” waarover gesproken wordt, moet bij definitie een ander “ik” zijn dan het sprekende “ik” dat aan het woord is…
Sartre zei: “Al wat we over het ik kunnen zeggen, is zeker niet het ik”, want al wat we zeggen zijn gedachten en het “ik” kan toch niet een gedachte zijn. Vergelijk dit met wat Lao¬ Tse zei: “Alles wat de mens van het hogere kan zeggen, is zeker niet het hogere.” Alleen een mystiek zwijgen of een soort poëtische taal kan naar dat hogere verwijzen, zonder dat dat hogere daardoor “gekend” kan worden.

Op elk ogenblik stromen via onze zintuigen vele miljoenen bits informatie uit de omwereld bij ons naar binnen. Slechts een minieme fractie hiervan bereikt na een ingrijpende verwerking ons bewustzijn en vormt er een voorstelling, een hypothese van de werkelijkheid, een simulatie waarin de input van verschillende zintuigen samenkomt in één zogenaamde “ervaring” van de wereld. Door het vermogen van levende wezens om bepaalde aspecten van de omgeving gewaar te worden, ontstaat ook het vermogen om bepaalde aspecten van zichzelf gewaar te worden. Het zou voor een levend wezen immers wel zeer abnormaal zijn een rijk, meerlagig waarnemings- en categoriseringsvermogen te hebben ontwikkeld zonder in staat te zijn iets van dat apparaat op zichzelf te richten. De Britse bioloog Richard Dawkins zei: “Misschien ontstaat bewustzijn als de simulatie van de wereld door het brein zo complex wordt, dat het een model van zichzelf moet omvatten.” Door het bewustzijn ontstaan onder meer de concepten “binnen” en “buiten”, “zelf” en de “ander”. Het bewustzijn geeft ons een kaart van de wereld, van onszelf en van onze plaats in de wereld. Het is onze illusie over onszelf, hoewel er voor de meeste mensen waarschijnlijk niets zo werkelijk is als het gevoel dat er een echte “ik” huist in ons binnenste. Wij schrijven ons gedrag toe aan dingen die we verlangens of wil noemen, die we op hun beurt toeschrijven aan een “ik”. Het ik is een noodzakelijk mythe. Zoals wij ogen nodig hebben om te zien, hebben wij een “ik” nodig om te zijn. Maar ook dit is een voorstelling, een hypothese van de werkelijkheid …

Net zoals een computer op zijn scherm een aantal keurige en hanteerbare symbolen weergeeft (mappen, bestanden, projecten, pagina’s, brieven, een vuilnisvat…) die de gebruiker kan begrijpen en waar hij op kan reageren zonder dat hij zich bezig hoeft te houden met de miljoenen 0’en en 1’en die op elk ogenblik door de computer verwerkt worden, zo geeft het bewustzijn ons keurige en nette symbolen waarmee wij kunnen werken. Het computerscherm geeft ons de illusie dat we de computer “begrijpen”, dat we begrijpen hoe het ding “denkt”. Ons bewustzijn geeft ons de illusie dat wij onszelf zijn en onszelf en de wereld begrijpen. Wij geloven “intuïtief” in het “ik”, net zoals wij “intuïtief” geloven dat de zon om de aarde draait. Alleen is de “ik”-mythe veel moeilijker uit ons hoofd te verdrijven dan de mythe van het geocentrisme.

Er gebeurt dus heel wat tussen het ogenblik van de waarneming van een realiteit door de zintuigen en de “bewustwording” ervan. Volgens de opmerkelijke studies van Benjamin Libet duurt dit proces ongeveer een halve seconde. Er is dus heel wat ruimte voor subliminale waarneming, niet-bewust denken en verwerken, het formuleren van hypothesen van de werkelijkheid en nog een heleboel andere activiteiten. Al deze activiteiten kunnen toegeschreven worden aan het “onbewuste”, aan “intuïtie”, of aan een “goddelijk principe”. Het bewustzijn behoudt de illusie van heer en meester te zijn. Diverse vormen van meditatie kunnen gezien worden als pogingen om toegang te krijgen tot deze “andere” interne of externe realiteit.

Zoals we een kaart nodig hebben om onze weg te vinden in de complexiteit van een stad of een land, hebben we ons bewustzijn nodig om onze weg te vinden in de complexiteit van de werkelijkheid. Daartoe moeten we ons behelpen met een kaart die ons door anderen is gegeven. Maar wat echt belangrijk is, is niet de kaart te kennen, maar de werkelijkheid. De wereld is veel rijker dan we kunnen vermoeden bij het bekijken van de kaart. Ook wijzelf zijn veel rijker dan we kunnen vermoeden bij het bekijken van de kaart van onszelf die we hebben meegekregen.

Volgens Julian Jaynes* is het bewustzijn een analogon van wat we de echte wereld noemen. Het is opgebouwd met een vocabularium waarvan alle termen metaforen of analogen zijn voor verschijnselen in de echte wereld. De realiteit van het bewustzijn is van dezelfde orde als de realiteit van wiskunde. Het maakt het mogelijk zonder de hulp van gedragsmatige procedures tot adequate beslissingen te komen. Het bewustzijn is, zoals wiskunde, een operator, eerder dan een ding of een recipiënt. Daniel Dennett beschrijft het bewustzijn met de metafoor van een gesimuleerde virtuele seriële computer in de parallelle hardware van onze hersenen. Zowel Daniel Dennett** als Tor Nørretranders*** spreken van het bewustzijn als een “user illusion”.

Ons bewustzijn lijkt voor ons dagelijks functioneren overigens niet eens zo bijzonder belangrijk, zoals blijkt uit het feit dat onze gedachten bij de meeste dingen die wij doen (door de stad lopen, autorijden, eten, de vaat doen … ) ergens anders kunnen zijn. We weten doorgaans niet hoe we gedaan hebben wat we gedaan hebben. Alleen zijn we ons daar niet van bewust, omdat we niet bewust zijn van het feit dat we niet bewust zijn. Alleen als zich iets onverwachts voordoet (bijv. een verkeersopstopping) komt ons bewustzijn in actie.

Bovendien lijken mensen zich ook het best te voelen op ogenblikken waarop ze hun bewustzijn niet nodig hebben, d.i. in een toestand van moeiteloze “flow” waarin alles als vanzelf lijkt te gaan en mensen zich niet bewust zijn van de tijd, hun omgeving en zichzelf… zoals bij het lezen, het muziekbeluisteren of het fietsen. Het bewustzijn is daarbij zelfs eerder een verstorende factor met zijn obsessie om alles te controleren en te beoordelen, met als gevolg angsten, gebrek aan zelfvertrouwen, enz.

Hoe onvatbaar ook, toch lijkt ons bewustzijn, ons “ik” dus, één van de belangrijkste producten van onze mentale activiteit, één van de hoofdpersonages in ons mentale theater. Het is het komische, dramatische of melodramatische hoofdpersonage, waarmee we ons identificeren. Daniel Dennett noemt het ik ook “het centrum van narratieve zwaartekracht.”** Zonder een dergelijke centrale “referentie” zeggen we niet te weten wie we zijn en dat lijkt ons moeilijk leefbaar. Dit personage heeft vaak kenmerken gekregen die gevormd zijn door wat anderen ons hebben doen geloven over ons zelf. Vaak waren die anderen belangrijke personen in onze jeugd, toen we nog erg beïnvloedbaar waren. Het kan ook gaan om bepaalde “conclusies” of “beslissingen” die in ons ontstaan zijn ter gelegenheid van gebeurtenissen die een grote indruk op ons gemaakt hebben. Vaak denkt men dan alleen aan negatieve gebeurtenissen, zogenaamde “trauma’s”, die ons geloof in onszelf verzwakt hebben, maar het kan net zo goed gaan om gebeurtenissen die ons geloof in onszelf versterkt hebben.

Toch heeft het iets bevrijdends als we dat idee van een centraal en vastomlijnd “ik” proberen los te laten. Net zoals het iets bevrijdends heeft als we het idee van een vaste aarde als centrum van het universum loslaten. Als we aannemen dat het leven zich in ons voordoet, dat zich in ons een biologisch, evolutionair en sociaal scenario voordoet, en dat gedachten en gevoelens zich in ons voordoen, zonder dat wij kunnen zeggen wat het “ik” eigenlijk is. Zou het niet juister zijn te zeggen: “Er wordt in mij gedacht”?

De essentie lijkt dus niet een kleine kern te zijn, een klein en diep centrum, een soort kern van een geheel, maar veeleer het allesomvattende, dat wat er rest nadat alle beperkende ideeën en theatrale ensceneringen verdwenen zijn. Dan wordt duidelijk dat de essentie eerder het alles is, het nu en altijd, het hier en daar, het alles tegelijk.

In wezen is jezelf zijn ook een ander zijn. Onze essentie is immers niet individueel en klein, maar veel groter dan al wat we kunnen tonen en zien en verbindt ons met alle andere mensen in dit leven. Het zijn onze beperkingen, ons begrensde ego dat ons doet geloven dat we afgescheiden zijn. Maar wat ons scheidt van het grotere geheel is niets anders dan een grens die we onszelf opgelegd hebben, net zoals landsgrenzen grenzen zijn die door de mens opgelegd zijn. Zij zijn niet “natuurlijk” of “essentieel”. Als we de landsgrenzen zouden kunnen loslaten, bijv. omdat we beseffen dat we het niet meer nodig hebben om oorlog te voeren over de banale verschillen tussen mensen, dan zou de landkaart er plotseling veel eenvoudiger uitzien.


__________

*Jaynes, Julian (1976). The Origin of Consciousness in the Breakdown of the Bicameral Mind. Boston: Houghton Mifflin

**Dennett, Daniel (1991). Consciousness explained. Allen Lane, The Penguin Press.

***Nørretranders, Tor (1998). The User Illusion. New York: Viking Penguin










zondag 20 juni 2010

Waarom zijn taal en woorden zo belangrijk?

Onze taal is ons denken. onze taal is niet de uitdrukking of de vertaling van ons denken, zij is ons denken. Woorden zijn symbolen waarmee wij onze interne realiteit opbouwen. Met deze symbolen kunnen wij de externe wereld in ons bewustzijn als het ware voorstellen, waarna wij de symbolen als legoblokjes kunnen gaan schuiven en in elkaar passen. Woorden zijn als acteurs in onze interne enscenering en theatralisering. Onze interne monoloog is een talige monoloog. Door de taal kunnen wij bovendien op een gemakkelijke manier kennis nemen van het denken van talloze anderen die in de tijd en in de ruimte ver van ons verwijderd kunnen zijn. Daardoor ontstaat cultuur als cumulatief menselijk project. Zonder taal zou geen wetenschap mogelijk zijn geweest, maar ook geen filosofie, geen cultuur en geen enkel intellectueel project van de mensheid.

Onze taal berust in grote mate op begrippen en metaforen die afkomstig zijn van de structuren van onze lichamelijkheid en van de fysieke omwereld. Een belangrijk aspect van ons denken verloopt immers in termen van causaliteiten, van oorzaken en gevolgen, van objecten en substanties die invloed uitoefenen op en zelf beïnvloed worden door andere objecten of substanties.* Door onze taal wordt ons bewustzijn dus als het ware bewoond door ons lichaam. Wij hebben ons lichaam nodig om te denken, niet alleen in de vorm van de materialiteit van onze hersenen, maar in de vorm van de structuren van ons lichaam. Onze geest woont niet alleen in ons lichaam, ons lichaam woont ook in onze geest. Wij zijn een belichaamde geest of een begeesterd lichaam.

Door de taal kunnen wij deelnemen aan het leven van de samenleving, maar door de taal wordt ons denken ook door die samenleving beïnvloed. Door de taal leeft en woont dus ook de samenleving als het ware in ons bewustzijn. Niet alleen de taal van de ouders wordt geïnterioriseerd, maar ook de taal van de hele samenleving. Niemand heeft immers een eigen taal, elke taal is publiek bezit. Ook onze meest persoonlijke en intieme woorden zijn publieke woorden, eindeloos herhaald in opera’s en romans, in chansons voor intellectuelen en in de alomaanwezige banale en stereotiepe consumptiemuziek. De persoon die zich met deze woorden uitdrukt zal onvermijdelijk dus ook publieke trekken vertonen.

Maar de grenzen van de taal zijn ook de grenzen van ons denken. Taal vormt immers ook de lens, de filter en de sluier waardoor wij de wereld bekijken en beoordelen. Die filter introduceert ook verwarring en misverstanden. Onze taal bepaalt ons mentaal model van de wereld en structureert de manier waarop wij de wereld lezen, onze perceptie en onze interne ervaring. Onze taal is een virtuele realiteit, de matrix (cfr. de film!) waarin wij leven en die vorm en betekenis geeft aan onze ervaringen. Onze taal betovert ons. Taal is magie. Taal is hypnose. Elke hypnose gebeurt met taal en elke taal is hypnose. Het uitspreken van een woord roept immers onvermijdelijk de referent op, ook als deze niet of nog niet bestaat of nooit bestaan heeft. Woorden gaan altijd ook gepaard met beelden en emoties die ons in beweging kunnen zetten. Deze inzichten kunnen de melodramatische ernst van onze permanente interne monoloog enigszins milderen.

Maar woorden en concepten doen nog meer dan dat. Zij lijken aan de steeds veranderende wereld een vastheid en stabiliteit te geven die ze uit zichzelf niet heeft. We krijgen greep op de werkelijkheid door de werkelijkheid stil te leggen, te bevriezen, te fixeren. Nietzsche vergeleek onze begrippen met mummies. Volgens Nietzsche is de wil tot greep, tot controle, tot macht over de realiteit de echte motivering achter het denken. Filosofen zijn volgens hem niet zozeer geïnteresseerd in de waarheid, maar wel in de macht. De prijs die we daarvoor betalen, is dat we de onmiddellijke ervaring van de echte wereld verliezen. Onze ervaring ontstaat altijd bij middel van een begrippensysteem. Lacan spreekt van de symbolische orde die wij betreden door het leren van een taal.

Elke grammaticaal correcte zin geeft ons inderdaad haast onvermijdelijk de suggestie van een werkelijkheid en een betekenis, ook als er geen echte werkelijkheid of betekenis is. Wat zou de betekenis kunnen zijn van grammaticaal juiste zinnen als: “ik ben een leugenaar”, “ik ben niet mezelf”, “ik ben op zoek naar mezelf”, “ik ben dood”, “wat hier staat is niet waar” of “de vierkante cirkel is rond”? Men denke aan de bekende paradox van de Kretenzer Epimenides die beweerde dat alle Kretenzers leugenaars zijn…
Een aantal grammaticaal correcte zinnen geeft ook de suggestie van een “verklaring” te geven omdat het woord “omdat” er in voorkomt. Duidelijke en grappige voorbeelden zijn: “hij is niet getrouwd omdat hij vrijgezel is”, “hij doet zijn werk niet omdat hij lui is” of “hij heeft geen geld omdat hij arm is”. Andere voorbeelden van dergelijke pseudoverklaringen zijn echter minder duidelijk: “ik lach omdat er iets grappigs gebeurd is”, “ik voel mij slecht omdat er iets ergs gebeurd is”, “ik durf dit niet omdat ik geen zelfvertrouwen heb”, “ik eet te veel omdat ik aan boulimie lijd”, “ik kan niet ophouden eraan te denken omdat ik een obsessie heb,” “ik kan dit niet aan omdat ik depressief ben,” of “de verdachte heeft een moord begaan omdat hij een psychopaat is”. Het is duidelijk dat er in al deze gevallen sprake is van verwarring tussen definitie en causaliteit, tussen omschrijving en verklaring. Door dat soort labels wordt vaak ook de suggestie gewekt dat een bepaald gedrag, dat in principe te veranderen is, het gevolg zou zijn van een persoonlijkheidseigenschap, die veel moeilijker te veranderen is.

De taal die wij spreken, met de woorden en de zinnen waaruit zij bestaat, hebben wij niet bewust gekozen. Niemand heeft een “eigen taal” of “eigen woorden”, ook niet in onze interne monoloog. Onze taal is het gevolg van de geografische loterij die gemaakt heeft dat wij op een bepaalde plaats en bij bepaalde mensen ter wereld zijn gekomen. De taal die op die plaats door die mensen werd gesproken, is ongemerkt en onvermijdelijk in ons brein terecht gekomen en heeft zich daar gevestigd. Zij is tot onze automatische processen gaan behoren. Het is dus alsof de samenleving in ons woont en in ons spreekt. Bepaalde woorden en verhalen om bepaalde feitelijkheden te beschrijven en te duiden, komen daardoor automatisch in ons bewustzijn. En aangezien de meeste woorden en verhalen ook dragers van betekenissen en emoties zijn, komen daarmee ook bepaalde emotionele toestanden in ons bewustzijn. Onze emoties worden immers veel meer bepaald door de woorden, de betekenissen en de verhalen in ons bewustzijn, dan door de feitelijkheden zelf. Onze emoties luisteren altijd mee naar onze interne dialoog en reageren op de letterlijke inhoud ervan en zij nemen die altijd ernstig. Onze emoties reageren op de theatraliteit, niet op de realiteit. Dat verklaart bijv. waarom bepaalde mensen geterroriseerd kunnen zijn door een eenvoudige opdracht zoals spreken in het openbaar of een solicitatiegesprek voeren, terwijl anderen daar energiek en gestimuleerd op reageren. Het verklaart ook waarom sommige mensen jaren kunnen lijden onder een verlies, terwijl anderen veel sneller hun leven weer opnemen en verder gaan. Emoties zijn altijd waakzaam en ernstig. Zij begrijpen niet dat bepaalde boodschappen achteloos uitgesproken “onschuldige” metaforen en clichés kunnen zijn of maar “manieren van zeggen” zouden zijn.

Enkele vormen van taal kunnen onderscheiden worden. Zo is er de louter beschrijvende, sensoriële taal van de zintuiglijke waarneming (“ik zie een persoon die mij boos aankijkt”), de logische, verklarende, definiërende, wetenschappelijke taal van de abstracte concepten (“ik heb een sociale fobie”, “ik heb een tekort aan zelfvertrouwen”), en de symbolische, metaforische, dichterlijke taal van de beleving (“ik voel mij alsof de grond onder mijn voeten wegvalt”). Vooral de belevingstaal is interessant omdat zij inzicht geeft in de persoonlijke belevingswereld van een individu. Daarom kunnen in dichterlijke taal existentiële realiteiten meegedeeld worden die in wetenschappelijke termen niet mogelijk zijn. Als een minnaar aan zijn geliefde zegt dat haar zoenen als zoete, rijpe perziken zijn, dan kan die beleving onmogelijk wetenschappelijk verklaard of zelfs maar meegedeeld worden. Hoe zouden we de beleving van een kus, de schoonheid van een roos, van een landschap of van een geliefde anders kunnen omschrijven dan in dichterlijke, metaforische bewoordingen? De beleving heeft een eigen psycho-logica die niets gemeen heeft met de wetenschappelijke logica.

Daarnaast is er de zogenaamde performatieve taal van de taaldaden, de speech-acts. Dit zijn daden die louter uit taal bestaan. Voorbeelden zijn “ik verklaar de vergadering voor geopend”, of “ik verklaar u man en vrouw”. De daad komt tot stand door het uitspreken van de woorden. Daardoor hebben woorden iets magisch. Zij creëren immers wat zij noemen. Zou men niet ongelukkig zijn omdat men zich eerst ongelukkig verklaard heeft? Het is interessant en verwarrend de invloed van uitgesproken of gedachte woorden op de eigen stemming in real time te voelen…

Dat alles gebeurt grotendeels “onbewust”, automatisch, tenzij wij er ons “bewust” van worden en onze woorden zorgvuldiger en bewuster gaan kiezen, in plaats van ze ondoordacht te laten ontstaan. Dan wordt het leven weer beter denkbaar en meer transparant. Onze taal is immers de eigenlijke drager van ons onbewuste, zoals ook Jacques Lacan het stelde. Ons bewustzijn moeten we als het ware verwerven op ons onbewustzijn. Niet dat dit een noodzaak zou zijn. Het is inderdaad heel goed mogelijk het hele leven op een dergelijke onbewuste wijze door te brengen. Dan zullen we nog altijd goede burgers zijn en niet in de gevangenis terecht komen. Maar, zoals Socrates zei: “het niet-doordachte leven is het leven niet waard”. We leven dan niet op het hoogst mogelijke niveau. We leven als een automaat, als een robot**. Is dat erg? Dat is uiteraard alleen maar erg voor wie het erg vindt, en iedereen is vrij om daarover te denken wat hij of zij wil…





___________________


* Dat zit als het ware in de structuur van onze taal. Elke zin bestaat immers uit een onderwerp dat iets doet aan of op een lijdend voorwerp.


** Men kan dat natuurlijk ook spontaan-zijn noemen, waardoor het een zekere positieve connatie krijgt.










donderdag 10 juni 2010

Waarom is de evolutieleer zo belangrijk? Waarom hebben sommige mensen daar dan toch problemen mee?

De evolutieleer, door Darwin in 1859 gepubliceerd, is tot dusver ons beste idee over hoe het leven geëvolueerd is. De evolutie is voor zover wij weten een onontkoombaar idee.
Net zoals het feit dat de aarde rond is, een onontkoombaar idee is geworden omdat het nu gewoon kan worden waargenomen (dankzij bijv. satellieten), is ook de evolutie een onontkoombaar idee geworden omdat het in het laboratorium kan worden waargenomen, bijv. bij virussen en bacteriën. Overigens heeft de mens al lang intuïtief gebruik gemaakt van de evolutieleer, met name bij het selecteren en kweken van planten en dieren.

Het probleem dat sommige mensen met de evolutietheorie hebben, is dat deze theorie niet over individueel welzijn gaat, maar over de overleving van genen en van soorten. De best aangepaste soort (niet noodzakelijk de sterkste!) overleeft. Dat kan voor de betrokken individuen, die bepaalde genen dragen of tot bepaalde soorten behoren, best bijzonder onprettig zijn. De sabeltijger en de Neanderthaler hebben voor zover wij weten niets fout gedaan, en toch zijn zij verdwenen. Bepaalde individuen met kenmerken die te sterk van de heersende norm afwijken, vinden gewoon geen partner…

Het feit dat er dus winners en verliezers zijn, is uiteraard moeilijk verenigbaar met bijv. de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid van de Franse revolutie en de rechten van de mens. Dat zijn inderdaad typisch menselijke waarden, die in de natuur niet voorkomen maar die de mens in het leven kan proberen in te brengen. Dat is juist de originele bijdrage van de mens.

Toch kan de evolutiegedachte ook tot een houding van mededogen leiden.
Darwin heeft ons immers ook doen inzien dat alle levende organismen in wezen hetzelfde doen en willen: overleven en op hun manier het goede leven vinden. Zij doen dat zo goed zij kunnen en maken gebruik van de mogelijkheden die zich voordoen.
De evolutieleer laat ons begrijpen dat alle levende wezens, van de kleinste bacterie tot de grote zoogdieren en de mens, tot eenzelfde familie behoren. De evolutieleer toont zelfs aan dat samenwerking beter kan zijn dan ongebreidelde competitie.

Daarmee staat de evolutiegedachte, merkwaardig genoeg, in zekere zin dicht bij de leer van de grote, al dan niet religieuze wijsheidssystemen die stellen dat alle mensen broeders zijn die wij met liefde en mededogen moeten bejegenen. Alleen op die manier zullen wij beter overleven.


Dat overstijgt het idee als zou het alleen maar om strijd gaan. Er zijn immers geen goede of slechte bacteriën, schimmels, planten, dieren of mensen. Ieder organisme doet zo goed als het kan, op zijn niveau, met zijn graad van ontwikkeling, met zijn graad van inzicht in de dingen, met zijn wijsheid.










maandag 10 mei 2010

Wat is de betekenis van de huidige crisis?

Ik denk dat we deze “crisis” beter als een begin van financiële een economische correctie van de bestaande onevenwichten in de wereld kunnen zien. Het is het openbarsten van een abces. Het abces van de ongelijkheid en de onrechtvaardigheid in het grote lichaam van de mensheid. Als ergens in het lichaam van de mensheid geleden wordt, lijdt het hele lichaam…

Wij hebben al te lang gedacht dat wij ongestoord van onze nooit geziene welvaart en onze overdadige luxe zouden kunnen blijven genieten terwijl anderen in de meest mensonwaardige omstandigheden moeten leven en sterven en nauwelijks in hun meest elementaire behoeften kunnen voorzien. Terwijl wij ons opwinden over onze spaarcenten en onze koopkracht, sterven elders ter wereld elke dag kinderen van de honger, worden vrouwen verkracht en seksueel verminkt en sterven mensen aan de cholera zoals in de middeleeuwen. Dat wij daar onverschillig voor blijven, werpt een smet op onszelf.

De huidige welvaart heeft niet tot meer welzijn en geluk en tot een “caring society” geleid, maar wel tot een toenemende graaicultuur en individualisme met steeds meer cynisme en depressiviteit. Hoe kunnen wij ons druk maken over wie een beker of een medaille op de olympische of andere spelen of een titel in één of andere miss-verkiezing of een song-festival “in de wacht sleept”, terwijl ondertussen elke dag tienduizenden kinderen sterven bij gebrek aan water en voedsel? Is dit niet zonder meer obsceen en pornografisch? Hoe lang zullen wij nog denken dat dit ongestoord zal kunnen doorgaan?
Als u zes kinderen zou hebben, waarvan er vier bijna sterven van de honger, zou u zich dan in ernst kunnen opwinden over wie van de twee anderen een “Eurosongfestival for kids” zou kunnen winnen? Zouden uw prioriteiten dan niet een beetje anders liggen?

De moderne communicatiemogelijkheden maken dat steeds meer mensen over de hele planeet kunnen meemaken hoe wij, in onze rijke landen, onze tijd en onze koopkracht besteden aan futiele bezigheden in de vorm van enorme geld- en energieverslindende sportmanifestaties en -infrastructuren, muziek- of kunstfestivals en andere vermakelijkheden en luxegoederen. De hele planeet kan vernemen hoeveel spaartegoeden wij op onze banken hebben en toekijken hoe wij ons druk maken over de vermindering van onze overdadige koopkracht.

De enige mogelijke logica kan nochtans zijn dat onze spaartegoeden verder zullen verminderen en dat onze koopkracht verder zal dalen om het enorme onevenwicht op de planeet enigszins in de richting van meer evenwicht te sturen.
Aangezien wij niet bereid gevonden worden dit goedschiks te doen, zal het kwaadschiks moeten gebeuren. De “have-nots” zullen bijgevolg verder “terroristische aanslagen” plegen op de “haves”, dat wil zeggen op ons…

Is dit een boodschap van hoop? Ja! Als wij het vertrouwen herstellen in de mogelijkheden van elke mens en van de mensheid om steeds weer nieuwe oplossingen te vinden. En die zullen er komen. Het voordeel van problemen is dat zij de creativiteit en het denken stimuleren en oplossingen aantrekken. Net zoals de zich wijzigende toestand inzake energievoorziening, soms ook energiecrisis genoemd, nu reeds vele individuen en bedrijven ertoe aanzet nieuwe oplossingen te bedenken, zo zal ook de zich wijzigende toestand in de financiële en economische wereld, mensen en bedrijven ertoe aanzetten nieuwe oplossingen te bedenken.
Daniel Dennett schreef dat de weg naar wijsheid, zowel voor een individu als voor de mensheid, eenvoudig te duiden is: fouten, fouten en nog eens fouten, maar steeds minder en minder en minder. Fouten zijn gewoon correcties op ons denken.

Is dit een boodschap van geluk? Ja! Als we beseffen dat geluk niet bestaat uit een accumulatie van fijne en aangename gebeurtenissen en ervaringen, maar uit het deelnemen aan een proces dat groter is dan onze persoon en ons ego. Zoals elke cel in ons lichaam betekenis heeft omdat zij deelneemt aan een groter iets, zo heeft ons leven betekenis omdat wij bijdragen tot iets dat groter is dan wijzelf.

Voor ieder van ons biedt deze “crisis” dus de uitnodiging om na te denken over ons persoonlijk evenwicht tussen plezier en geluk. Plezier berust vaak immers op het verwerven en consumeren van plezierige bezittingen en het deelnemen aan aangename ervaringen. Geluk daarentegen berust op een mentale, existentiële en spirituele ingesteldheid. Voor deze laatste is bovendien niet veel koopkracht vereist…

vrijdag 7 mei 2010

Is het waar dat wij in ons leven dingen aantrekken?

Een reiziger liep langs een weg van een dorp in de bergen naar een dorp in de vallei. Onderweg zag hij een boer die het land aan het bewerken was.
“Mag ik u een vraag stellen?” vroeg de reiziger.
“Jazeker,” zei de landbouwer.
“Ik reis van het dorp in de bergen naar het dorp in de vallei en ik vroeg me af of u mij zou kunnen zeggen hoe de mensen daar beneden zijn?”
De boer dacht even na.
“Zegt u mij eens,” zei de boer toen, “hoe vond u de mensen daarboven?”
“Vreselijk”, zie de reiziger, “ik ben blij dat ik kon vertrekken. De mensen waren helemaal niet gastvrij. Toen ik aankwam werd ik koud begroet. Ik kreeg nooit het gevoel dat ik welkom was, hoe hard ik ook mijn best deed. De dorpelingen bleven afstandelijk en onder elkaar, zij zijn niet vriendelijk voor vreemdelingen. Zeg mij, wat kan ik in het dorp in de vallei verwachten?”
“Ik ben bang dat ik u moet zeggen dat uw ervaring daar beneden toch ongeveer dezelfde zal zijn,” zei de boer.
De reiziger dankte de boer, zuchtte en vervolgde zijn weg.

Enige tijd later kwam een andere reiziger langs de weg van hetzelfde dorp in de bergen naar het dorp in de vallei. Hij hield ook halt bij de boer die het land aan het bewerken was.
“Mag ik u een vraag stellen?” vroeg de reiziger.
“Jazeker,” zei de landbouwer.
“Ik reis van het dorp in de bergen naar het dorp in de vallei en ik vroeg me af of u mij zou kunnen zeggen hoe de mensen daar beneden zijn?”
De boer dacht even na.
“Zegt u mij eens,” zei de boer toen, “hoe waren de mensen daarboven?”
“Geweldig”, zie de reiziger, “ik zou er langer gebleven zijn als ik kon, maar ik moest verder reizen. De mensen waren zo gastvrij. Toen ik aankwam werd ik vriendelijk onthaald. Ik voelde mij een lid van de familie in het dorp. De dorpelingen waren vriendelijk en genereus en de kinderen speelden met mij. Het is jammer dat ik moest vertrekken maar ik zal er altijd met plezier aan terug denken. Maar zeg mij, wat kan ik in het dorp in de vallei verwachten?”
“Ik denk dat u zult zien dat de mensen daar even vriendelijk zijn,” zei de boer.
De reiziger dankte de boer, glimlachte en vervolgde zijn weg









zondag 25 april 2010

Homeopathy – Failing Randomized Controlled Trials Since 1835

Published by Joseph Albietz under Homeopathy

Bron : Science-Based Medicine, 16 april 2010


I’m sad to say that this is the last day of World Homeopathy Awareness Week. We’ve tried to give homeopathy its due honor, providing it the attention its practitioners clearly desire, while continuing to cover pertinent news in the world of homeopathy and providing a somewhat more sober, rational discussion of it on our homeopathy reference page.

Of course, most of this has not been news in the literal sense of the word. There hasn’t been anything truly new in homeopathy since its invention (no, not discovery; discovery implies that something actually exists to be found) by Hahnemann in 1796.

Well, perhaps that’s not quite fair. As our knowledge of reality (medicine, pharmacology, chemistry, physics, etc) has steadily improved, homeopathy’s plausibility has dwindled to the point of being indistinguishable from the roundest of numbers (0). And I suppose the recent contortions of logic, abuses of legitimate science, and pure magical thinking put forth to protect homeopathy from the relentless assault of science are far more impressive than that laid out by Hahnemann. So that’s news of a sort.

There’s also homeopathy’s long and rich tradition of abject failure in randomized controlled trials to consider. The overwhelming mountain of evidence showing homeopathy to have no effect beyond placebo is impressive and definitive. That’s data Hahnemann didn’t have, so that’s news too.

Each of these properly conducted studies and analyses demonstrates the scientific method’s utility to help us understand reality and protect us from our own delusions, but frankly, at this point they are about as exciting and useful as proving that the sun will rise in the east tomorrow morning. News? Not so much.

Nuremberg’s Less Famous Trial

I found myself wondering how far back this trail of negative trials goes; how long we’ve been having the identical argument. Pubmed’s earliest mention of homeopathy was in 1906, and the first RCT I found in its database was in 1980. However, the oldest double-blind RCT of which I found record was conducted in 1835 in Nuremberg, Bavaria, and subsequently described in an editorial in 2006 entitled “Inventing the randomized double-blind trial: The Nuremberg salt test of 1835.” Though the trial has its flaws, it was of sufficient quality to satisfy my historical curiosity with a thoroughly depressing answer: 175 years.

The local physicians and public health officials of Nuremberg held an understandably dim view of homeopathy, and as it gained popularity in Nuremburg they became more vocal, and more public, in their opposition:

Von Hoven accused homeopathy of lacking any scientific foundation. He suggested that homeopathic drugs were not real medicines at all and alleged homeopathic cures were either due to dietetic regimens and the healing powers of nature, or showed the power of belief. He called for an objective, comparative assessment by impartial experts. If, as he expected, homeopathic treatment proved ineffective, the government would need to take drastic measures to protect the lives of deceived patients.”

Sounds familiar, doesn’t it? Nuremburg’s resident homeopath Karl Prue’s defense should as well:

[Prue] pointed out that even children, lunatics and animals had been successfully cured. Based on Hahnemann’s assertions, he challenged Wahrhold/von Hoven to try the effects of a C30 dilution of salt on himself. The odds were 10 to 1, he claimed, that his opponent would experience some extraordinary sensations as a result – and these were nothing compared to the much stronger effects on the sick.”

Eventually a trial was designed and agreed upon by both parties to test the effect of a 30C dilution of salt. The trial design was surprisingly good, as it was:

Randomized: participants had an equal chance of being in either the control or experimental group

Controlled: participants not given the experimental therapy were given an indistinguishable and inert placebo

Blinded: participants didn’t know if they received the homeopathic dilution or placebo

Double-blinded: the experimenters didn’t know which participants received the homeopathic dilution or placebo, as the placebo and homeopathic dilution were prepared and the vials containing them randomized and coded by people independent from the experimenters.

Well Powered: the trial contained enough participants so that if, as Prue claimed “the odds were 10 to 1… to experience some extraordinary sensations” that it could detect a difference between the two groups.

Transparent: The design, hypothesis, methods and outcomes were agreed upon beforehand and explained in detail to all participants, conducted publicly (in a literal Pub in fact; these people were full of good ideas), results were published quickly, and any deviation from protocol was acknowledged.

Of the 54 people they managed to enroll, 50 completed the study three weeks later by reporting what, if any, “extraordinary sensations” they had experienced following ingestion of their vial. 5 people reported sensations in the homeopathic group, 3 in the control, which was statistically insignificant. Homeopathy had failed the first of many RCTs.

I am not putting this trial forward as the final (though perhaps it could be considered one of the first) nail in homeopathy’s coffin. The trial design had areas of potential bias, most notably that the symptoms which qualified as “extraordinary” are not well defined (though a glance at the homeopathic proving of “Natrum Muriaticum” or “table salt” provides some insight into this particular problem), and the fact that it relied upon participants to honestly report all symptoms; a hostile or imperceptive set of participants could easily confound the study. Nevertheless, on the whole it was solidly designed and executed, particularly when one considers that this is one of the first double-blind, randomized controlled trials ever documented.

Time To Move On

Here we are in 2010, 175 years after the first of legion negative RCTs of homeopathy, yet it persists with the same tired old arguments. Is there anything to gain from investing more time, money, resources, and ignoring the highly dubious ethics of subjecting human subjects to a trial that has no hope of benefiting them or humanity, just to prove one more time that homeopathy is an utter failure? No, and here’s why.

I look at the current debate surrounding homeopathy, and I see three primary groups. The first accepts the last two centuries of scientific progress and evidence and concludes that homeopathy is a delusion unworthy of further study. They don’t need another trial.

The second believes in homeopathy in spite of the gargantuan volume of evidence; further evidence will do nothing to change their minds. They don’t need another trial.

The final group is comprised of people who are unaware of the nature of homeopathy or the evidence that already exists. This final group requires exposure and education; they require World Homeopathy Awareness Week (SBM edition). They don’t need another trial.
Wat te denken van (levens)lange gevangenisstraffen?

De manier waarop een samenleving omgaat met haar leden die een fout hebben begaan, is een maat en een test voor de graad van beschaving en mededogen van die samenleving. Net zoals voor individuen, geldt ook voor samenlevingen immers dat moeilijke omstandigheden de ware aard onthullen. In zijn daden heeft de dader getoond wie hij is, in haar reactie op die daden toont de maatschappij wie ze is.

Het idee van schuld en bestraffing heeft iets van het archaïsche, oud-testamentische beeld van de op wraak beluste god. Ons zogenaamde “rechtsgevoel” is vaak inderdaad niet veel meer dan een wraakgevoel. Iemand die ons heeft doen lijden, willen wij evenzeer doen lijden, opdat wij ons “voldaan” zouden kunnen voelen. Wij willen vergelding, genoegdoening op de barbaarse wijze. Desnoods met een ouderwetse volksjury. Aan de benadeelden (de “slachtoffers”) wordt zelfs gevraagd of zij wel genoegen kunnen nemen met de straf (d.i. het lijden) die de dader heeft gekregen. Het principe “oog om oog, tand om tand”, was aanvankelijk dan ook een principe van beperking dat stelde dat de wraak evenredig moest zijn met het aangedane leed.

Het nieuwe testament brengt, net zoals het boeddhisme, een boodschap van mededogen. Medemensen die een misstap hebben begaan, verdienen veeleer ons mededogen en onze zorg, dan onze woede en onze straf. Als een kind naar je toe komt en je een pijnlijke schop geeft, ga je toch geen wraak nemen en een schop teruggeven? Je gaat daarentegen uitleggen waarom een dergelijk gedrag niet wenselijk is. Voor kinderen lijkt ons dat begrijpelijk en normaal, maar op volwassenen reageren wij anders. Maar ook volwassenen die een misstap begaan, zijn ergens als kinderen die nog niet beter weten. Zij handelden uit onwetendheid en uit onmacht. “Niemand wil bewust het kwade,” zei Socrates al. In die zin is zelfs de vraag naar “toerekeningsvatbaarheid” een onmogelijke vraag waar zelfs psychiaters vaak niet uitkomen zodat een volksjury dan maar moet “beslissen”.

Het proces dient niet alleen om de misdaad en de dader vast te stellen en te bestraffen. Het is een manier om orde op zaken te stellen en aan iedereen duidelijk te maken wat  in een ordelijke samenleving kan en wat niet kan.  Het is ook een poging om te begrijpen, niet alleen hoe de dader tot zijn misdaad is gekomen, maar ook hoe de samenleving tot het soort lijden is gekomen dat de misdaad heeft mogelijk gemaakt. Het proces van de misdaad en van de dader, is ook het proces van de samenleving.

Wat kan de betekenis en de bedoeling zijn van de straf? Het kan niet de bedoeling zijn “genoegdoening” te geven aan de benadeelden, want dat is onmogelijk. Als iemand gedood of levenslang benadeeld is, zal de bestraffing van de dader in de ogen van de benadeelden nooit genoeg kunnen zijn, wat de blinde haat en de lynchmentaliteit verklaart. Maar het veroorzaakte leed kan nu eenmaal niet ongedaan worden gemaakt en “genoegdoening” is onmogelijk.

In een rechtsstaat moet de straf dan ook bepaald worden door de aard van de misdaad en niet door de intensiteit van het lijden. Het lijden is in principe immers even groot bij een ongewild accident met de dood tot gevolg als bij een moord met voorbedachte rade. De straf moet dan ook gericht zijn op het bijsturen, het corrigeren van de dader, zodat hij tot een nieuwe levenshouding met meer verantwoordelijkheid kan komen. De “straf” moet, naast de evidente bescherming van de samenleving, een opvoedende en waar mogelijk herstellende functie hebben. Zij moet een uiting zijn van de wijsheid van de samenleving en mag niet bepaald worden door het lijden en de woede van de benadeelden (de “slachtoffers”). Daarom kan de straf geen persoonlijke zaak zijn. In de straf benadrukt de samenleving haar normen en waarden. Suzanne van Well schrijft in haar boek met de brieven aan Hans van Themsche: “Een straf die gekozen wordt vanuit het standpunt van het slachtoffer ligt gevaarlijk dichter bij de wraak dan een straf die uitgaat van de verantwoordelijkheid en de natuur van de dader.” (p. 112) Prof. Dirk De Schutter zei over de gebeurtenissen in Dendermonde (in “Phara”): “Bij deze gebeurtenissen is iedereen slachtoffer: niet alleen de kinderen die gedood werden, hun ouders en hun familie, maar ook de ouders van Kim de Gelder, en ook Kim de Gelder zelf. Ook Kim de Gelder is een medemens die onze medemenselijkheid moet oproepen." Uiteindelijk is de gehele samenleving betrokken en moeten wij gezamenlijk nadenken over de samenleving waarin dat soort dingen zich kunnen voordoen. Iedereen lijdt immers. (zie ook het artikel van Peter Adriaenssens in de rubriek UIT DE PERS op deze site) Lao-Tse zei reeds: “Behandel goede mensen goed. Behandel niet-goede mensen ook goed. Zo komt het goede tot stand.”

Alleen mensen die lijden zijn in staat tot wanhoopsdaden die lijden bij anderen veroorzaken. Gelukkige mensen veroorzaken geen lijden. De enige duurzame mogelijkheid om het lijden te verminderen, zowel bij de slachtoffers als bij de daders, is dan ook het bewustzijn te vergroten en de vaardigheid tot gelukkig zijn te ontwikkelen.

Niemand wordt er beter van als mensen voor lange tijd in een gevangenis worden opgesloten. Maar hoewel wij misschien wel boeddhistisch of nieuwtestamentisch zouden willen denken, zijn onze gevoelens al te vaak nog barbaars en oudtestamentisch. En ook daar kunnen we dan alleen maar met mededogen naar kijken en vaststellen dat de huidige samenleving (d.i. wij) en de huidige volksjury’s nog niet verder zijn gekomen …


“Dood hem!”, zei de broer. Zijn gezicht was als uit steen gehouwen. “Dood hem!”, riep de moeder door haar tranen heen. “Dood hem!” zei ook de zuster, met trillende stem.

Bij het kampvuur waar de vergadering plaatsvond, kreeg ieder familielid de kans zich uit te spreken. Er moest een oordeel geveld worden over het leven van een jongeman die buiten, geboeid en met een angstige blik in zijn ogen, wachtte op de dingen die komen gingen. Moord is een verschrikkelijke daad. De moord op een vriend is een nog verschrikkelijker daad. Daar zat hij, met het bloed van zijn vriend nog aan zijn handen, in afwachting van zijn lot.

“Laten we dit goed overdenken”, zei de grootvader zacht. De tragedie waar zijn familie in was gedompeld, maakte de rimpels op zijn toch al doorgroefde gezicht nog dieper. Hij sprak met de stem van vele generaties.
"Zal onze jongen terugkomen als we deze man hebben omgebracht ?”
“Nee, nee, nee.” Dit woord bewoog zich langzaam door de kring van gepijnigden. Soms werd het gefluisterd, soms gemompeld, een enkele keer vol rancune uitgesproken.
“Als we deze man ombrengen, zal er dan meer voedsel zijn voor onze gemeenschap?”, vroeg de oude man, strak voor zich uitstarend.
Weer klonk het: “Nee, nee, nee.”

“Mijn broer spreekt ware woorden”, nam de oudoom het woord. Iedereen wendde zich tot hem. Een traan biggelde langs zijn wang.
“Laten we deze zaak heel zorgvuldig bekijken.”
En dat deden ze. Ze discussieerden de hele nacht, en brachten toen de man naar het kampvuur om het oordeel uit te spreken.

“Zie je die tipi?”, vroegen ze hem, wijzend naar de tent van de man die hij had vermoord. De moordenaar knikte. “Die is nu van jou”.
“En zie je die paarden?” Ze wezen naar de dieren die van de vermoorde man waren geweest. De dader knikte opnieuw.
“Ook die zijn nu van jou. Je bent van nu af aan een bloedverwant, je bent onze zoon. Je zult de plaats innemen van degene die je hebt gedood.”
De man zat op zijn knieën en keek omhoog, naar de gezichten van de aanwezigen. Zijn nieuwe leven was begonnen. En ook de stam begon aan een nieuwe episode.

Bruine Beer zat tegenover me aan tafel.
“Dit gebeurde aan het eind van de achttiende eeuw”, zei hij. “Ze hadden hem kunnen doden. Het stamrecht bood hen die mogelijkheid.”
Het verhaal maakte diepe indruk op me. Ik liet de woorden van Bruine Beer op me inwerken. Een moordenaar die wordt opgenomen door de familie van het slachtoffer, was zoiets mogelijk?
“Deze jongeman werd een zeer toegewijde zoon”, vervolgde Bruine Beer. “Toen hij stierf, was hij voor alle stammen in Noord-Amerika het schoolvoorbeeld van een liefhebbende, toegewijde zoon.”

Uit Gary Zukav, Verhalen van de Ziel. (met dank aan Catherine Paulus)

dinsdag 20 april 2010

Ik kan maar niet vergeven wat mij is aangedaan…

Mensen denken soms dat vergeven een cadeau is aan diegene die ons iets heeft aangedaan. In werkelijkheid is het juist omgekeerd: vergeven is een cadeau aan onszelf.

Ongeacht wat de ander ons heeft aangedaan, kunnen we weigeren nog verder afhankelijk te zijn van die ander. Door te vergeven tonen we onze emotionele en intellectuele onafhankelijkheid. De ander hoeft daarvoor geen straf te hebben uitgezeten, hoeft geen berouw te tonen en hoeft dat bovendien niet eens te weten!

Vergeven is tonen, zowel aan de ander als aan zichzelf, dat men een groter mens is. Niet-vergeven toont dat men niet hoger staat dan de ander. Als men het nodig heeft dat de ander lijdt (d.i. gestraft wordt) alvorens men verder kan, dan is men niet groter dan die ander. Dan geeft men bovendien een macht aan de ander en dan verliest men twee keer: één keer door het gebeuren zelf, en één keer door niet te vergeven.

Vergeven is weigeren de ander of het verleden nog verder die macht te geven. Vergeven is verdergaan met je leven en jezelf een heden en een toekomst gunnen.

Vergeven is niet vergeten maar is je bevrijden van de negativiteit in jezelf. Het is jezelf niet langer vergiftigen met haat. Niet-vergeven is als een gif nemen en hopen dat de ander daardoor zal sterven. Maar de ander zit in jezelf en je vergiftigt alleen jezelf. Als je iemand haat, haat je altijd het beeld van die ander dat zich in jezelf bevindt. Haat is een intern proces. Wat niet in jezelf is, kan je niet verstoren.

Vergeven is dan ook niet moeilijk. Je hoeft er niets voor te vergeten, het kost je niets, je moet er niemands toestemming voor krijgen en je hebt er niets anders voor nodig dan je bewustzijn. Ook vergeven is immers een intern proces. Het is gewoon kiezen voor liefde in plaats van voor lijden. Het komt er gewoonweg op neer af te stappen van het beeld van de ander als slecht mens, als misdadiger, als monster, en je een beeld te vormen van de ander als medemens, als iemand die het moeilijk heeft gehad en geleden heeft, als iemand die niet beter kon, als iemand die in onwetendheid leeft en misschien gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was. Wie kan met zekerheid zeggen dat als hij op de plaats en in de omstandigheden van de ander geboren en opgegroeid zou zijn, hij het zoveel beter gedaan zou hebben? Alleen mensen die lijden, veroorzaken lijden bij anderen. Vergeven doorbreekt de keten en de cirkel van het lijden…

In de memorabele uitzending van 20/03/2010 op France 3 over Natasha Kampusch, het Oostenrijkse meisje dat ontvoerd en acht jaar vastgehouden werd, zei Natasha Kampusch woordelijk: “Ik heb dit alles overleefd omdat ik de daden van mijn gijzelaar kon vergeven op het ogenblik zelf dat hij ze stelde… “ Een boodschap die een opmerkelijke gelijkenis vertoont met de boodschap van Nelson Mandela en zelfs Jezus. Vergeven is inderdaad de enige leefbare optie tussen het Scylla en Charybdis van de gekmakende revolte en woede enerzijds en de ultieme resignatie in de vorm van depressie anderzijds.

Vergeven veronderstelt het aanvaarden van de ander als onvolmaakt mens. Dat is gemakkelijk als men aanvaardt dat men ook zelf een onvolmaakt mens is. Hoe meer men de eigen onvolmaaktheid erkent en aanvaardt, hoe meer men ook die van anderen kan aanvaarden, en omgekeerd. Liefde is niet het bewonderen van het volmaakte, maar het aanvaarden van het onvolmaakte.

Doe jezelf dus het cadeau van de vergeving. Daardoor geef je bovendien in ieder geval een inspirerend voorbeeld aan de mensen om je heen…