Hoe kan men kinderen opvoeden zonder verwennen en zonder agressiviteit?
Behalve het zorgen voor de voor de hand liggende basale (fysiologische) behoeften (voeding, onderdak, bescherming…) is het belangrijk dat bij een kind een aantal mogelijkheden ontwikkeld worden. Daartoe behoren op de eerste plaats emotionele vaardigheden, en op de tweede plaats intellectuele vaardigheden. In een verdere fase zal ook aan de spirituele ontwikkeling aandacht moeten worden besteed.
De ontwikkeling van emotionele vaardigheden behoort tot wat Jacques Lacan de moederlijke functie noemt. Hoewel dit niet uitsluitend terug te voeren is op de persoon van de moeder, zullen de meeste moeders immers spontaan geneigd zijn deze functie op zich te nemen. Het is van het grootste belang dat een kind leert zich goed te voelen in het leven. Zich goed voelen is de belangrijkste ervaring die het kind in het begin van het leven moet leren kennen en het is precies die ervaring die een moeder spontaan aan haar kind wil meegeven. Een moeder is gelukkig als zij merkt dat haar kind zich goed voelt. Hoewel ook vaders hierbij een belangrijke rol kunnen spelen, zal de moeder in deze fase toch de belangrijkste persoon zijn.
In een iets latere fase komt de ontwikkeling van intellectuele vaardigheden. Behalve zich goed voelen, moet een kind immers ook leren goed te denken. Het moet op de eerste plaats kennis nemen van de wereld en de samenleving waarin het terecht is gekomen. Het moet de taal van die samenleving leren spreken en het moet leren kritisch te denken, dat wil zeggen een onderscheid te maken tussen wat waar en goed is en wat niet-waar en niet-goed is. Lacan noemt dit de intrede in de symbolische orde en spreekt in dit verband van de vaderlijke functie, hoewel deze functie niet uitsluitend terug te voeren is op de persoon van de vader. Maar het is een functie waardoor de vader zich doorgaans iets meer aangesproken voelt.
De vaderlijke functie (die uiteraard ook ten dele door de moeder kan worden ingevuld) is essentieel gericht op de ontwikkeling van het bewustzijn en van de taal. De taal geeft immers toegang tot de ander en tot de cultuur. De taal biedt het kind de mogelijkheid uit de narcistische emotionele cocon te treden en een perspectief op het leven te verwerven. De taal en het bewustzijn maken het mogelijk te begrijpen dat anderen anders zijn en dat het universum niet om de eigen behoeften draait. De vaderlijke functie geeft het kind een structuur door het aangeven van wetten en grenzen. Een kind is altijd beter af met een duidelijke structuur, waaraan het zich kan meten en waartegen het zich eventueel kan verzetten, dan met wolligheid en structuurloosheid die tot grilligheid en oeverloosheid leidt.
De vaderlijke functie is ook gericht op het leren van uitstel van onmiddellijke bevrediging door het creëren van doelstellingen op lange termijn. In zijn boek "Emotionele Intelligentie" beschrijft D. Goleman studies die erop wijzen dat de mogelijkheid om onmiddellijke behoeftebevrediging uit te stellen, de belangrijkste voorspellende factor is voor succes in het latere leven. Dit is een cognitieve vaardigheid die berust op het in de toekomst projecteren van een motiverend doel. Wat voor zin heeft het te gaan studeren en daarvoor af te zien van allerlei onmiddellijke bevredigingen, als men geen doel in de toekomst voor ogen heeft? Wie in kleine doelstellingen denkt, zal een kleine toekomst hebben. Dat is bijv het geval bij jongeren die de ene studierichting na de andere gaan "proberen" om te "kijken of hen dat wel ligt", of de docenten wel meevallen en of de lokalen wel aangenaam zijn, m.a.w. of dit wel een onmiddellijke bevrediging kan opleveren.
Bij de opvoeding ligt de verleiding van de onmiddellijk bevrediging evenwel aan beide kanten, niet alleen aan de kant van de kinderen (wat normaal is), maar ook aan de kant van de ouders (wat minder normaal is). Toegeven aan de eisen van een kind wordt immers onmiddellijk beloond door de dankbare glimlach van het "gelukkige kind", waardoor men zich (even) een goede ouder kan voelen, in afwachting van nieuwe verlangens of eisen. Voor ouders is het veel gemakkelijker om toe te geven dan om "neen" te zeggen en het hoofd te bieden aan een nukkig of stampvoetend kind. Bovendien waarom zou men "neen" zeggen als men daar geen goede reden voor heeft? Voor vele ouders is opvoeding een soort populariteitswedstrijd bij de kinderen geworden, vooral als daar nog eens de nodige schuldgevoelens bijkomen over wat men zijn kind allemaal "heeft aangedaan" (echtscheiding, tijdsgebrek).
Enigszins schematisch kan gesteld worden dat de moeder vooral zorgt voor het welzijn van het kind nu, de vader voor het welzijn van het kind later. De moeder is gericht op het invullen van de onmiddellijke behoeften van het kind, de vader moet het kind leren de bevrediging van deze onmiddellijke behoeften uit te stellen. Opvoeding heeft dus alles met visie en leiderschap te maken. Stephen Covey stelt in zijn boek "The Seven Habits of Highly Effective People" dat een opvoeding zonder principes op lange termijn een verlies betekent voor het kind. Het zal in zijn latere leven immers alsnog op moeizame wijze de lessen moeten leren die het tijdens de opvoeding met veel minder moeite had kunnen leren.
Wij leven evenwel in een samenleving waar de moederlijke functie voortdurend aanwezig is en waar de vaderlijke functie al te vaak onvoldoende wordt ingevuld. Er is geen motiverend maatschappelijk project meer, geen zingevende maatschappelijke visie. Het openbare leven wordt steeds meer gedomineerd door de drang naar onmiddellijke behoeftebevrediging van jongeren en overal is luidruchtige, afstompende, zenuwslopende jongerenmuziek aanwezig. De samenleving verkleutert en de cultuur wordt steeds meer een jongerencultuur. Van alle kanten komen boodschappen op ons af die ons lachende jonge mannen en vrouwen tonen die gelukkig blijken te zijn omdat ze bepaalde meubels in de zithoek hebben, bepaalde kleding dragen, met een bepaalde auto rijden of een bepaalde vakantiebestemming hebben gekozen. Vrijwel nergens wordt gezegd dat gelukkig zijn een zaak van waarden, intellectuele doelstellingen en zingeving in het leven is, m.a.w. van vaderlijke functie. De illusie wordt gewekt dat het geluk bestaat uit het krijgen of vinden van de juiste omstandigheden voor behoeftebevrediging, terwijl echt geluk en voldoening veeleer bestaat uit het geven van zichzelf, uit toewijding aan een waardevolle zaak. Het hele concept van de verzorgingsstaat is een moederlijk concept van behoeftebevrediging. De staat belooft immers voor alles te zullen zorgen terwijl de onderdanen alleen maar moeten spelen, vakantie nemen en genieten. Dat heeft als onvermijdelijk gevolg dat de burger steeds meer een kwetsbaar kasplantje wordt die voor het minste behoefte heeft aan begeleiding, opvang en steun van de overheid. Ook op school moet steeds meer rekening worden gehouden met het jonge volkje, op straffe van verlies van leerlingen of van ouders die naar de rechtbank stappen.
Op het politieke veld vinden we deze tendens in de opkomst van populistische strekkingen die inspelen op de onmiddellijke bevrediging van de kortetermijnbehoeften van de bevolking.
Het tekort aan vaderlijke functie is niet alleen een gevolg van het feit dat mannen vaak fysiek afwezig zijn bij de opvoeding van de kinderen (omdat de man aan het werk is of omdat het kind in een eenoudergezin wordt opgevoed), maar ook van het feit dat mannen zich niet langer bewust zijn van hun specifieke taak. Net zoals bejaarden in onze samenleving geen taak voor zichzelf meer zien, en dus ook geen betekenisvolle plaats meer weten in te nemen, zien vele mannen voor zichzelf vaak geen zinvolle taak meer. Steeds meer rollen in de samenleving worden ingenomen door vrouwen, wat maakt dat mannen voor zichzelf geen duidelijke taak meer zien. Omdat zij die taak niet meer zien, laten zij zich door vrouwen ook al te vaak buiten spel zetten, ook in het opvoedingsgebeuren. De "nieuwe man" is immers vaak een man die deelneemt aan de moederlijke functie en als papa toch al eens "neen" zegt tegen een kind (Lacan: le non du père), wordt dit door mama vaak achter de rug van papa "geregeld". In Hotel Mama is het kind de koning.
Steeds vaker zoeken radeloze ouders dan ook therapeutische hulp als hun "kind" op de leeftijd van 25 of 30 jaar gekomen is, niets van zijn studies heeft terechtgebracht en volkomen onbekwaam blijkt te zijn om op eigen benen te staan. Dan blijkt er plots "iets" fout te zijn gegaan en moet er door "deskundigen" een "diagnose" gesteld worden en een behandeling ingesteld worden om het "probleem" te verhelpen. In het beste geval gaat het om kinderen die verder uitermate lief en vriendelijk zijn, in het ergste geval gaat het om tirannieke huismonsters die het gehele gezinsleven domineren, niet zelden met fysiek geweld. Deze kinderen beschuldigen hun ouders er - niet geheel ten onrechte - van dat zij hen niet de nodige vaardigheden hebben bijgebracht om in het leven verder te kunnen en als zij merken dat hun leven onomkeerbaar op een dood spoor is gekomen, leidt dit niet zelden tot agressief gedrag. Dit resulteert in groot onbegrip en verontwaardiging bij de goedbedoelende ouders die hun kinderen toch "alles" gegeven hebben (stereo, TV, video, computer...) en die dit toch zeker “niet verdiend” hebben! Zij hebben inderdaad alles gegeven om mee te leven, maar weinig of niets om voor te leven.
Maar er zijn ook radeloze kinderen. Kinderen komen immers altijd ter wereld in een situatie waarin ze opgesloten zijn met volwassenen die ze niet gekozen hebben en waarvan ze toch volkomen afhankelijk zijn. De omgang met die volwassenen kan meevallen, maar kan ook tegenvallen. Voor opgroeiende kinderen die hun ontluikende denkvermogen en hun kritisch inzicht beginnen te ervaren, kan deze machteloosheid een volkomen onrechtvaardige en onhoudbare toestand zijn, een vaak harde en onverbiddelijke leerschool waarin zij hun ouders moeten leren te overleven. Welke strategie zij daarbij zullen leren hanteren, is onvoorspelbaar en veronderstelt een navigeren tussen het Scylla en Charybdis van de gekmakende revolte, woede en agressie enerzijds en de ultieme resignatie in de vorm van gelatenheid en depressie anderzijds. Daartussen liggen alle mogelijkheden van hulpeloosheid of cynisme en bitterheid, maar ook van wijsheid…
Uit onderzoek (o.a. in oorlogsgebieden, zie ook de boeken van B. Cyrulnik) blijkt overigens dat kinderen veel minder kwetsbaar zijn en veel meer aankunnen dan doorgaans wordt gedacht, op voorwaarde dat ouderen hen niet voortdurend voorhouden dat ze nu getraumatiseerd zijn, dat ze het nu extra moeilijk zullen hebben en dat ze extra "hulp" nodig zullen hebben. Kinderen die in pampers en op krukken leren lopen, leren nooit behoorlijk hun benen te gebruiken.
Ouderen zouden jongeren daarentegen voortdurend moeten aanmoedigen en onderstrepen wat zij wèl kunnen, in plaats van voortdurend angst te zaaien met rampenscenario's en met wat ze allemaal misschien niet zullen aankunnen. De echte gelukkigen zijn wellicht kinderen die het geluk hebben gehad te leren omgaan met moeilijkheden, weliswaar begeleid door volwassenen, maar zonder dat die volwassenen hen de moeilijkheden en bijgevolg de groeikansen uit handen namen. De Britse kinderpsychiater David D. Winnicott vergelijkt een kind met de vlam van een kaars. Men mag ze zacht aanblazen om ze aan te wakkeren, maar als men te hard blaast dooft men ze juist uit…
In tegenstelling tot de meeste andere relaties is de relatie tussen ouders en kinderen niet gericht op meer samenzijn, maar op scheiding. De finaliteit van deze relatie is immers volwassenen te vormen die hun eigen weg in de samenleving kunnen gaan, net zoals de finaliteit van een appelboom niet bestaat uit het produceren van appels, maar uit het produceren van nieuwe appelbomen. Een opvoeding is geslaagd als de kinderen de ouders niet meer nodig hebben.
De vraag hoe men volmaakt kan opvoeden, kan beantwoord worden met een verhaal. Een leerling vroeg aan een Zen-meester: “Meester, hoe kan ik een volmaakt schilderij maken?” De meester dacht even na en antwoordde: “Dat is heel eenvoudig. Je begint met volmaakt te zijn, en dan schilder je maar gewoon.”
Wat met straffen en belonen?
Straffen en belonen zijn gedragsmatige technieken die misschien wel tot het gewenste gedrag kunnen leiden, maar niet noodzakelijk tot de juiste redenen voor dat gedrag.
Straffen en belonen kunnen er namelijk toe leiden dat een kind zich alleen behoorlijk gaat gedragen om straf te ontlopen of om een beloning te krijgen. In het eerste geval leidt dat tot angst voor straf, in het tweede geval tot opportunisme.
Het is evenwel duidelijk dat het niet alleen belangrijk is dat kinderen zich op de juiste manier gedragen, maar ook dat ze dat leren doen om de juiste redenen, d.i. vanuit de juiste waarden. Dat is de definitie van ethisch gedrag.
Het aanleren van verantwoordelijkheid en betrokkenheid is veel belangrijker dan straffen en belonen.
Kinderen moeten leren dat hun daden gevolgen hebben en dat ze daar verantwoordelijk voor zijn. Zij moeten leren verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van hun daden voor anderen en voor de omgeving. De beloning bestaat uit de gunstige gevolgen, de straf bestaat uit de ongunstige gevolgen. Het is niet nodig daar nog een extra “straf” aan toe te voegen.
Wat met verwennen?
Verwennen ontstaat als een kind beloningen krijgt die het niet verdiend heeft. Vaak is dat het geval bij ouders die, vermoeid door hun dagtaak, ’s avonds het kind zijn zin geven om conflicten te vermijden. Daardoor leert het kind dat het een macht heeft over de ouders, aangezien die bang zijn voor conflicten. Het kind leert dus dat het dreigen met een conflict al volstaat om zijn zin te krijgen. Verwende kinderen zijn kleine tirannen die geleerd hebben dat ze altijd wel hun zin krijgen als ze het de ouders maar voldoende lastig maken.
Voor de ouders is toegeven in eerste instantie gemakkelijker. Op lange termijn is het evenwel nefast voor de ontwikkeling van het kind en voor de gezinsrelaties. Het kind krijgt daardoor immers een macht die het niet zou mogen hebben en waar het eigenlijk niet kan mee omgaan. Macht hebben en dingen krijgen die niet verdiend werden, bederft de geest.
Hoe kan je opvoeden tot geweldloosheid?
Geweld en agressie komen overal in de natuur voor. Het zijn normale biologische strategieën om te pogen de omwereld naar je hand te zetten. Elke vorm van leven, van de kleinste bacterie tot planten en dieren, probeert de omwereld naar zijn hand te zetten, dat is de essentie van leven. Leven vereist altijd het manipuleren van de omgeving om te pogen van bepaalde dingen meer te krijgen en andere af te weren. Het feit dat dit vaak niet lukt, is de oorzaak van alle lijden. Lijden is een gevecht met de realiteit die zich vaak niet naar onze verlangens wil plooien. Bij volwassenen is dat in het beste geval een ingehouden gevecht, zonder externe agressiviteit. Bij kinderen en minder volwassen geworden volwassenen kan dit gepaard gaan met echte agressiviteit, vandalisme, pesten en delinquentie.
Agressie is altijd gericht tegen wat als “de ander” of als “niet van ons” wordt beschouwd. De enige echte geweldpreventie, zowel bij kinderen als bij volwassenen, is het creëren van een verbondenheid, een “wij”-gevoel, een “van ons”-gevoel. Voor wie als “wij” of “ons” wordt beschouwd en waarvan men dus het gezicht en de naam kent, zal men zich immers automatisch goed en zorgzaam gedragen. Opvoeding tot geweldloosheid veronderstelt dus een opvoeding tot verbondenheid, niet alleen met lokale groeperingen (het gezin, de school, de sportclub…) maar met de samenleving als geheel. Verbondenheid is geen gevoel waar men moet op wachten tot het komt, maar dat het gevolg is van verbindende gedachten en beelden. Jongeren kijken altijd naar ouderen. Als ouderen een taal en beeldvorming van verbinding hanteren, zullen jongeren dat gemakkelijker kunnen overnemen. Dit vergt immers een vorm van redelijkheid en affectregulatie (emotionele intelligentie) waartoe kinderen en jongeren door hun nog onvoldoende ontwikkelde prefrontale cortex nog niet op eigen kracht in staat zijn.* Bij pubers zijn er bijkomende uitdagingen als gevolg van de hormonale veranderingen en het moeizame zoeken naar iets dat voor identiteit moet doorgaan. Ondertussen bevestigen zij vaak alle clichés over pubergedrag. Volwassen worden is immers een voltijdse opdracht en adolescenten hebben nog behoefte aan de sturing en het voorbeeld van ouderen, al zullen ze dat niet gezegd willen hebben...
_________________________
*Hersenen zijn pas rond de leeftijd van 20-25 jaar volgroeid en de prefrontale cortex ontwikkelt zich het laatst. De prefrontale cortex staat in voor complexe vaardigheden zoals georganiseerd werken, het reguleren van impulsen, het bedenken van de gevolgen van het eigen handelen, het stellen van prioriteiten en het denken op lange termijn. Dat verklaart dat vele jongeren en jonge volwassenen zich vaak onvoorzichtig, onvolwassen en onverantwoordelijk gedragen.
donderdag 25 maart 2010
zaterdag 20 maart 2010
Hoe kan ik een bijdrage leveren? Hoe kan ik het goede doen?
Je kan een positieve bijdrage leveren door een model te zijn van gelukkig zijn. Elk moment dat je gelukkig bent is een geschenk aan de rest van de wereld. Daardoor toon je immers dat het leven de moeite waard is om geleefd te worden.
Telkens je niet gelukkig bent, moeten je partner, je kinderen, je vrienden en de rest van de wereld het stellen met een minder goede versie van jezelf. Je geeft ze minder dan het beste van jezelf.
Het goede doen kan alleen maar betekenen het leven in zijn evolutie bevorderen. Het goede is het leven. De evolutie van het leven gaat in de zin van een toenemende mate van orde en bewustzijn.
Het leven is gekenmerkt door het creëren van orde. Daarmee gaat het leven in tegen de tweede wet van de thermodynamica die stelt dat alles naar een toenemende graad van wanorde gaat, de zogenaamde toename van entropie. Dat maakt het leven tot een uitzonderlijk verschijnsel.
Die toenemende orde en complexiteit heeft uiteindelijk tot het ontstaan (emergentie) geleid van de meest complexe structuur die wij kennen, d.i. het bewustzijn. De evolutie van het bewustzijn, zowel van de mensheid als soort als van een individu, gaat van archaïsch-instinctief leven naar biologisch-emotioneel leven, naar een magisch bewustzijn, naar mythisch groepsdenken en naar rationeel denken. Een kind denkt aanvankelijk alleen aan zichzelf, en vergroot gaandeweg zijn bewustzijn om steeds meer mensen te omvatten. Een meer redelijk bewustzijn, met meer aandacht voor de medemens, leidt tot mededogen en liefde. Meer aandacht voor de wereld en voor het leven leidt tot wetenschap en filosofie. (zie de vraag over de bewustzijnsontwikkeling)
De redelijkheid kan ons doen inzien dat alle lijden en ongeluk in de wereld het gevolg is van onwetendheid en van een tekort aan redelijkheid. Het goede doen betekent dan ook bijdragen tot het verminderen van de onwetendheid en het vergroten van de redelijkheid. Confucius zei al dat het zinloos is tegen het duister te strijden. Het volstaat een kaars aan te steken. Dat is de basis van een leven volgens ethische principes. Een positieve bijdrage leveren aan het leven is een ethisch principe. Leven volgens ethische principes leidt tot meer geluk voor jezelf en voor anderen.
Je kan een positieve bijdrage leveren door een model te zijn van gelukkig zijn. Elk moment dat je gelukkig bent is een geschenk aan de rest van de wereld. Daardoor toon je immers dat het leven de moeite waard is om geleefd te worden.
Telkens je niet gelukkig bent, moeten je partner, je kinderen, je vrienden en de rest van de wereld het stellen met een minder goede versie van jezelf. Je geeft ze minder dan het beste van jezelf.
Het goede doen kan alleen maar betekenen het leven in zijn evolutie bevorderen. Het goede is het leven. De evolutie van het leven gaat in de zin van een toenemende mate van orde en bewustzijn.
Het leven is gekenmerkt door het creëren van orde. Daarmee gaat het leven in tegen de tweede wet van de thermodynamica die stelt dat alles naar een toenemende graad van wanorde gaat, de zogenaamde toename van entropie. Dat maakt het leven tot een uitzonderlijk verschijnsel.
Die toenemende orde en complexiteit heeft uiteindelijk tot het ontstaan (emergentie) geleid van de meest complexe structuur die wij kennen, d.i. het bewustzijn. De evolutie van het bewustzijn, zowel van de mensheid als soort als van een individu, gaat van archaïsch-instinctief leven naar biologisch-emotioneel leven, naar een magisch bewustzijn, naar mythisch groepsdenken en naar rationeel denken. Een kind denkt aanvankelijk alleen aan zichzelf, en vergroot gaandeweg zijn bewustzijn om steeds meer mensen te omvatten. Een meer redelijk bewustzijn, met meer aandacht voor de medemens, leidt tot mededogen en liefde. Meer aandacht voor de wereld en voor het leven leidt tot wetenschap en filosofie. (zie de vraag over de bewustzijnsontwikkeling)
De redelijkheid kan ons doen inzien dat alle lijden en ongeluk in de wereld het gevolg is van onwetendheid en van een tekort aan redelijkheid. Het goede doen betekent dan ook bijdragen tot het verminderen van de onwetendheid en het vergroten van de redelijkheid. Confucius zei al dat het zinloos is tegen het duister te strijden. Het volstaat een kaars aan te steken. Dat is de basis van een leven volgens ethische principes. Een positieve bijdrage leveren aan het leven is een ethisch principe. Leven volgens ethische principes leidt tot meer geluk voor jezelf en voor anderen.
maandag 15 maart 2010
Hoe kan ik het kwade bestrijden?
Het kwade kan als dusdanig niet bestreden worden omdat het niet bestaat. Het hele idee van strijd klinkt heldhaftig en spreekt tot de populaire verbeelding, maar houdt in feite geen steek. Er is in de hele natuur niets dat we als “kwaad” of als “het kwade” zouden kunnen bestempelen. Zoals er in feite ook geen onkruid bestaat. In de hele natuur zien we alleen maar vormen van leven (virussen, bacteriën, biologische processen, planten, dieren, mensen) die precies hetzelfde doen als wijzelf: proberen te overleven en proberen een beetje geluk te vinden. Dat is wat wij als “goed” defniëren. Dieren en lagere vormen van leven doen dat onbewust, instinctief. Mensen kunnen dat met een groter of kleiner bewustzijn, en met meer of minder elegantie en wijsheid doen.
Er zijn geen organismen of vormen van leven die “het kwade” zouden willen. Dat wat wij als “het kwade” bestempelen en ervaren, is alleen maar een gevolg van de onvolmaaktheid van het leven zoals het nu is. Als we om ons heen kijken, zien we natuurlijk mensen die oorzaak zijn dat andere mensen pijn ondervinden. Maar als we met redelijkheid kijken, zien we dat mensen alleen maar andere mensen pijn doen omdat ze zelf pijn hebben en ongelukkig zijn. Met andere woorden, omdat ze onvolmaakt zijn. Mensen die gelukkig zijn doen anderen geen pijn. En ongelukkig zijn is uiteindelijk een gevolg van onwetendheid…
Als we begrijpen dat er geen kwaad is, is er ook geen reden meer tot “strijden”. We kunnen alleen het goede vermeerderen. Dat is de basis van een ethisch leven. Confucius zei al dat het zinloos is tegen het duister te strijden. Het volstaat een kaars aan te steken.
Het kwade kan als dusdanig niet bestreden worden omdat het niet bestaat. Het hele idee van strijd klinkt heldhaftig en spreekt tot de populaire verbeelding, maar houdt in feite geen steek. Er is in de hele natuur niets dat we als “kwaad” of als “het kwade” zouden kunnen bestempelen. Zoals er in feite ook geen onkruid bestaat. In de hele natuur zien we alleen maar vormen van leven (virussen, bacteriën, biologische processen, planten, dieren, mensen) die precies hetzelfde doen als wijzelf: proberen te overleven en proberen een beetje geluk te vinden. Dat is wat wij als “goed” defniëren. Dieren en lagere vormen van leven doen dat onbewust, instinctief. Mensen kunnen dat met een groter of kleiner bewustzijn, en met meer of minder elegantie en wijsheid doen.
Er zijn geen organismen of vormen van leven die “het kwade” zouden willen. Dat wat wij als “het kwade” bestempelen en ervaren, is alleen maar een gevolg van de onvolmaaktheid van het leven zoals het nu is. Als we om ons heen kijken, zien we natuurlijk mensen die oorzaak zijn dat andere mensen pijn ondervinden. Maar als we met redelijkheid kijken, zien we dat mensen alleen maar andere mensen pijn doen omdat ze zelf pijn hebben en ongelukkig zijn. Met andere woorden, omdat ze onvolmaakt zijn. Mensen die gelukkig zijn doen anderen geen pijn. En ongelukkig zijn is uiteindelijk een gevolg van onwetendheid…
Als we begrijpen dat er geen kwaad is, is er ook geen reden meer tot “strijden”. We kunnen alleen het goede vermeerderen. Dat is de basis van een ethisch leven. Confucius zei al dat het zinloos is tegen het duister te strijden. Het volstaat een kaars aan te steken.
maandag 22 februari 2010
Wat is liefde dan?
Liefde is niet zozeer iets dat mensen elkaar kunnen “geven”, maar een gebeuren waarbij mensen elkaar tot liefde kunnen inspireren. Liefde maakt het mogelijk het mysterie van het leven en van het eigen wezen te ervaren en binnen te treden. Wat we voelen voor een geliefde, heeft in wezen dan ook minder met die geliefde te maken en meer met het leven en met onszelf. Liefde is als de zon ontdekken. Mensen kunnen elkaar de zon niet geven, maar kunnen elkaar inspireren om de ogen te openen voor de zon die er altijd al was, zelfs als ze verborgen was achter dikke wolken.
Als we verliefd zijn, projecteren wij onze verlangens op de ander, die daardoor een “ideale ander” wordt.* In werkelijkheid hebben we geen relatie met de ander, maar met ons beeld van die ander. Die narcistische illusie wordt vaak met liefde verward. Maar zelfs als we de geliefde veroverd hebben, blijft toch altijd nog een verlangen bestaan. Op de een of andere wijze komt er geen einde aan het verlangen. Het lijkt bodemloos: er is altijd nog een leegte die opgevuld moet worden, men verlangt steeds weer iets anders, iets méér…
We kunnen alleen vrede sluiten met de eindeloosheid van onze passie door het echte object van ons verlangen te leren zien. We kunnen dit concreet onderzoeken als we nadenken over sublieme ervaringen die in ons leven gekomen zijn. Zolang we geloven dat iets of iemand in de buitenwereld een speciale kracht of magie bezit die wij moeten proberen in ons leven binnen te halen, creëren we een obsessie, een verslaving aan iets of iemand uit de buitenwereld. Als ik terugdenk aan een moment dat ik diep geraakt en ontroerd was, bijv. door een strijkkwartet van Mozart, dan zou ik kunnen concluderen dat ik Mozart echt nodig heb om liefde te ervaren en gelukkig te zijn, dat mijn leven alleen maar zin heeft als ik nu elke dag naar Mozart kan luisteren en dat Mozart nooit meer uit mijn leven mag verdwijnen.
Maar ik kan mij ook realiseren dat het niet echt om Mozart ging. Het gaat om iets – Mozart, een roos, een landschap, een geliefde – dat mij alleen maar een weg getoond heeft, dat iets in mezelf aangeraakt heeft en dat mij geholpen heeft om mij te openen om in contact te komen met de liefde en met mysterie van mijn eigen wezen, dat tegelijk de liefde en het mysterie van het leven zelf is. De echte kracht en de echte magie liggen in wat er binnen in mij opgewekt wordt, in een eigenschap in mezelf.
Dat is een blijvende verrijking die ik dus ook nooit meer kwijt kan raken, ook niet als de relatie met deze partner zou eindigen. Net zoals je blijvend verrijkt bent door een mooie reis of een goed gesprek, ook als die reis of dat gesprek geëindigd is.
Als we ons op de zuivere energie van de ervaring richten in plaats van op de min of meer toevallige omstandigheid waardoor we die ervaring hebben gehad, op de strategieën die we zouden kunnen aanwenden om die ervaring vast te houden of méér te krijgen, of op de verhalen in ons hoofd, dan kunnen we de liefde als een altijd aanwezige vriendelijke aanwezigheid leren voelen, als een moeder die ons altijd omarmt en omsluit. Dan kunnen we er in ontspannen en er als het ware in oplossen. Dan kunnen we ons verlangen als het ware omsmelten tot liefde en dan hebben we altijd toegang tot liefde. Dan zullen we de anderen gemakkelijk met mededogen kunnen benaderen want mensen die zich goed voelen willen dat welzijn graag meedelen, zoals omgekeerd mensen die lijden ook anderen willen doen lijden. Pas als we de anderen niet meer nodig hebben om ons goed te voelen, kunnen we ze immers bevrijden van de last van onze verwachtingen en onze narcistische illusies en kunnen we ze echt met mededogen en liefde benaderen.
Verlangen is als een kompas dat naar de bron van alle liefde wijst. Door bemind te willen worden, zoeken we de ervaring van liefde die naar ons toe komt. Liefde is echter niet iets dat we aan anderen moeten zien te ontfutselen. In werkelijkheid is er altijd liefde, net zoals er altijd het licht en de warmte van de zon is, zelfs in de meest barre omstandigheden en zelfs als de wolken van onze kleine emoties de zon tijdelijk verbergen. De zon is immers altijd groter dan de wolken. De wolken zijn er maar dankzij de zon. Zo is ook liefde altijd groter dan haat. Het goede is altijd groter dan het kwade (zie verder). Het kwade is alleen maar een tekort aan het goede. We moeten alleen maar de ogen openen, nederig zijn, en niet-eisend in het leven staan…
_____________
* Dat is het omgekeerde proces van het projecteren van negatieve eigenschappen op de ander die daardoor een “slechte ander” wordt die als een vijand kan worden gezien. Zie hoger.
Liefde is niet zozeer iets dat mensen elkaar kunnen “geven”, maar een gebeuren waarbij mensen elkaar tot liefde kunnen inspireren. Liefde maakt het mogelijk het mysterie van het leven en van het eigen wezen te ervaren en binnen te treden. Wat we voelen voor een geliefde, heeft in wezen dan ook minder met die geliefde te maken en meer met het leven en met onszelf. Liefde is als de zon ontdekken. Mensen kunnen elkaar de zon niet geven, maar kunnen elkaar inspireren om de ogen te openen voor de zon die er altijd al was, zelfs als ze verborgen was achter dikke wolken.
Als we verliefd zijn, projecteren wij onze verlangens op de ander, die daardoor een “ideale ander” wordt.* In werkelijkheid hebben we geen relatie met de ander, maar met ons beeld van die ander. Die narcistische illusie wordt vaak met liefde verward. Maar zelfs als we de geliefde veroverd hebben, blijft toch altijd nog een verlangen bestaan. Op de een of andere wijze komt er geen einde aan het verlangen. Het lijkt bodemloos: er is altijd nog een leegte die opgevuld moet worden, men verlangt steeds weer iets anders, iets méér…
We kunnen alleen vrede sluiten met de eindeloosheid van onze passie door het echte object van ons verlangen te leren zien. We kunnen dit concreet onderzoeken als we nadenken over sublieme ervaringen die in ons leven gekomen zijn. Zolang we geloven dat iets of iemand in de buitenwereld een speciale kracht of magie bezit die wij moeten proberen in ons leven binnen te halen, creëren we een obsessie, een verslaving aan iets of iemand uit de buitenwereld. Als ik terugdenk aan een moment dat ik diep geraakt en ontroerd was, bijv. door een strijkkwartet van Mozart, dan zou ik kunnen concluderen dat ik Mozart echt nodig heb om liefde te ervaren en gelukkig te zijn, dat mijn leven alleen maar zin heeft als ik nu elke dag naar Mozart kan luisteren en dat Mozart nooit meer uit mijn leven mag verdwijnen.
Maar ik kan mij ook realiseren dat het niet echt om Mozart ging. Het gaat om iets – Mozart, een roos, een landschap, een geliefde – dat mij alleen maar een weg getoond heeft, dat iets in mezelf aangeraakt heeft en dat mij geholpen heeft om mij te openen om in contact te komen met de liefde en met mysterie van mijn eigen wezen, dat tegelijk de liefde en het mysterie van het leven zelf is. De echte kracht en de echte magie liggen in wat er binnen in mij opgewekt wordt, in een eigenschap in mezelf.
Dat is een blijvende verrijking die ik dus ook nooit meer kwijt kan raken, ook niet als de relatie met deze partner zou eindigen. Net zoals je blijvend verrijkt bent door een mooie reis of een goed gesprek, ook als die reis of dat gesprek geëindigd is.
Als we ons op de zuivere energie van de ervaring richten in plaats van op de min of meer toevallige omstandigheid waardoor we die ervaring hebben gehad, op de strategieën die we zouden kunnen aanwenden om die ervaring vast te houden of méér te krijgen, of op de verhalen in ons hoofd, dan kunnen we de liefde als een altijd aanwezige vriendelijke aanwezigheid leren voelen, als een moeder die ons altijd omarmt en omsluit. Dan kunnen we er in ontspannen en er als het ware in oplossen. Dan kunnen we ons verlangen als het ware omsmelten tot liefde en dan hebben we altijd toegang tot liefde. Dan zullen we de anderen gemakkelijk met mededogen kunnen benaderen want mensen die zich goed voelen willen dat welzijn graag meedelen, zoals omgekeerd mensen die lijden ook anderen willen doen lijden. Pas als we de anderen niet meer nodig hebben om ons goed te voelen, kunnen we ze immers bevrijden van de last van onze verwachtingen en onze narcistische illusies en kunnen we ze echt met mededogen en liefde benaderen.
Verlangen is als een kompas dat naar de bron van alle liefde wijst. Door bemind te willen worden, zoeken we de ervaring van liefde die naar ons toe komt. Liefde is echter niet iets dat we aan anderen moeten zien te ontfutselen. In werkelijkheid is er altijd liefde, net zoals er altijd het licht en de warmte van de zon is, zelfs in de meest barre omstandigheden en zelfs als de wolken van onze kleine emoties de zon tijdelijk verbergen. De zon is immers altijd groter dan de wolken. De wolken zijn er maar dankzij de zon. Zo is ook liefde altijd groter dan haat. Het goede is altijd groter dan het kwade (zie verder). Het kwade is alleen maar een tekort aan het goede. We moeten alleen maar de ogen openen, nederig zijn, en niet-eisend in het leven staan…
_____________
* Dat is het omgekeerde proces van het projecteren van negatieve eigenschappen op de ander die daardoor een “slechte ander” wordt die als een vijand kan worden gezien. Zie hoger.
zondag 21 februari 2010
Ik ben ontrouw geweest in mijn relatie. Hoe kan ik dat weer goedmaken?
U kunt dat niet weer goedmaken. Wat gebeurd is kan niet meer ongedaan worden gemaakt.
U kunt alleen het gebeuren aangrijpen als een nieuwe keuze voor elkaar, als een nieuw vertrek van uw relatie op een hoger niveau, met meer mededogen, meer maturiteit, meer menselijkheid en meer liefde, dat wil zeggen het oefenen van het gebruik van een welwillend interpretatiekader (zie vorige vraag).
U zult om te beginnen met mededogen naar uzelf moeten kijken. U moet verantwoordelijkheid nemen voor het gebeuren zonder uzelf nodeloos te kastijden. U bent immers geen slecht mens omdat u zwak geweest bent. U hebt niet de bedoeling gehad de ander kwaad te doen. U hebt alleen toegegeven aan een impuls in uzelf die zo krachtig was dat u daarbij niet aan de gevolgen of aan de ander hebt gedacht. In de dialectiek tussen natuur en cultuur, heeft de natuur even de bovenhand gehad. Het miljoenen jaren oude evolutionaire spel, waar de mens het altijd al moeilijk mee gehad heeft en dat voor talloze tragedies, komedies en tragikomedies heeft gezorgd, werd ook in u gespeeld. U bent aangetrokken geweest door een ander mens en dat bewijst alleen dat u niet dood bent. U bent een levend mens, een onvolmaakt mens, zoals alle andere mensen, maar geen slecht mens.
Verder zult u met mededogen naar uw partner moeten kijken, die door het gebeuren min of meer aangedaan zal zijn en er wellicht een reden tot verdriet of kwaadheid in zal zien. Ook dat zult u dan moeten aanvaarden. Evenals het feit dat uw partner tijd kan nodig hebben om het gebeuren te verwerken en van nutteloze emoties te ontdoen.
Wat kan ik doen opdat hij/zij mij zou vergeven?
Daar kunt u nu eenmaal weinig aan doen. U zult uw partner de tijd moeten geven die hij/zij daarvoor nodig heeft. Dat zal een test zijn voor de liefde tussen uzelf en uw partner.
U moet de verantwoordelijkheid voor het gebeuren aanvaarden, zonder u echter al te zeer als een onderdanige boeteling op te stellen. Al te vaak wordt het gebeuren door de ander aangewend om u emotioneel te chanteren en u verantwoordelijk te stellen voor de reacties en emoties van de ander. Daardoor krijgt de ander alle macht. Immers wat u ook doet, de ander kan altijd blijven beweren dat het nog niet genoeg is, dat het vertrouwen nog niet hersteld is, dat de “wonde” nog niet geheeld is, dat hij/zij nog steeds ongelukkig is en dat dat allemaal uw schuld is. Bedenk dat u wel verantwoordelijk bent voor uw eigen daden, maar niet voor de reacties en de emoties van uw partner. Bedenk dat u wel een onvolmaakt mens bent, maar geen slecht mens. U moet uw waardigheid behouden, en dat kan alleen maar als u daar zelf in gelooft.
U kunt dat niet weer goedmaken. Wat gebeurd is kan niet meer ongedaan worden gemaakt.
U kunt alleen het gebeuren aangrijpen als een nieuwe keuze voor elkaar, als een nieuw vertrek van uw relatie op een hoger niveau, met meer mededogen, meer maturiteit, meer menselijkheid en meer liefde, dat wil zeggen het oefenen van het gebruik van een welwillend interpretatiekader (zie vorige vraag).
U zult om te beginnen met mededogen naar uzelf moeten kijken. U moet verantwoordelijkheid nemen voor het gebeuren zonder uzelf nodeloos te kastijden. U bent immers geen slecht mens omdat u zwak geweest bent. U hebt niet de bedoeling gehad de ander kwaad te doen. U hebt alleen toegegeven aan een impuls in uzelf die zo krachtig was dat u daarbij niet aan de gevolgen of aan de ander hebt gedacht. In de dialectiek tussen natuur en cultuur, heeft de natuur even de bovenhand gehad. Het miljoenen jaren oude evolutionaire spel, waar de mens het altijd al moeilijk mee gehad heeft en dat voor talloze tragedies, komedies en tragikomedies heeft gezorgd, werd ook in u gespeeld. U bent aangetrokken geweest door een ander mens en dat bewijst alleen dat u niet dood bent. U bent een levend mens, een onvolmaakt mens, zoals alle andere mensen, maar geen slecht mens.
Verder zult u met mededogen naar uw partner moeten kijken, die door het gebeuren min of meer aangedaan zal zijn en er wellicht een reden tot verdriet of kwaadheid in zal zien. Ook dat zult u dan moeten aanvaarden. Evenals het feit dat uw partner tijd kan nodig hebben om het gebeuren te verwerken en van nutteloze emoties te ontdoen.
Wat kan ik doen opdat hij/zij mij zou vergeven?
Daar kunt u nu eenmaal weinig aan doen. U zult uw partner de tijd moeten geven die hij/zij daarvoor nodig heeft. Dat zal een test zijn voor de liefde tussen uzelf en uw partner.
U moet de verantwoordelijkheid voor het gebeuren aanvaarden, zonder u echter al te zeer als een onderdanige boeteling op te stellen. Al te vaak wordt het gebeuren door de ander aangewend om u emotioneel te chanteren en u verantwoordelijk te stellen voor de reacties en emoties van de ander. Daardoor krijgt de ander alle macht. Immers wat u ook doet, de ander kan altijd blijven beweren dat het nog niet genoeg is, dat het vertrouwen nog niet hersteld is, dat de “wonde” nog niet geheeld is, dat hij/zij nog steeds ongelukkig is en dat dat allemaal uw schuld is. Bedenk dat u wel verantwoordelijk bent voor uw eigen daden, maar niet voor de reacties en de emoties van uw partner. Bedenk dat u wel een onvolmaakt mens bent, maar geen slecht mens. U moet uw waardigheid behouden, en dat kan alleen maar als u daar zelf in gelooft.
zaterdag 20 februari 2010
Mijn partner is ontrouw geweest. Hoe kan ik hem/haar nog vertrouwen?
On-trouw is een on-woord. Het wijst op iets slechts, iets verkeerds, iets negatiefs, de afwezigheid van iets goeds. Zoals de woorden on-weer, on-gedierte, on-kruid, on-mens. Het is vergelijkbaar met woorden met het voorvoegsel mis- of wan-: misdaad, misbruik, mistoestand, misverstand, wandaad, wangedrag, wantoestand …
Dat zijn negatieve manieren om de realiteit te benoemen, een negatieve kleuring, een negatieve lezing van de feiten, een negatief interpretatiekader. Het gebruik van dergelijke woorden is geen beschrijving maar een beoordeling en zelfs een veroordeling. Dergelijke woorden zijn als gekleurde etiketten die op de realiteit geplakt worden om een gevoel van afkeuring uit te drukken. Daardoor drukt u uit dat de ander naar uw mening een slecht mens is met waarschijnlijk slechte of alleszins verkeerde bedoelingen.
Tegelijk is het gebruik van dergelijke negatieve woorden oorzaak van nog meer negatieve gevoelens. Op die manier ontstaat dus een zelfonderhoudend proces: negatieve gevoelens => negatief interpretatiekader => nog meer negatieve gevoelens. Het is dus belangrijk in te zien dat uw gevoelens veel meer bepaald worden door het negatieve interpretatiekader dan door de feiten zelf, terwijl anderzijds uw gevoelens juist het negatieve interpretatiekader in stand houden.
Stel dat u aan de overkant van de straat een bekende ziet lopen. U groet vriendelijk. Stel dat die persoon uw groet niet beantwoordt. Hoe zult u reageren?
U kunt denken: hij doet alsof hij mij niet ziet, of: hij wil niets meer met mij te maken hebben. Dat is een ongunstige lezing, een kwaadwillige kleuring, een negatief interpretatiekader.
U kunt ook denken: hij had net zijn bril niet op, of: hij heeft mij niet herkend, of: hij was dermate in gedachten verzonken dat hij eigenlijk niet echt keek. Dat is dan een gunstige lezing, een welwillende kleuring, een positief interpretatiekader.
Een kwaadwillige lezing gebruiken we voor mensen die we niet in ons hart dragen.
Een welwillende lezing gebruiken we voor mensen die we wel in ons hart dragen.
Stel dat u van iemand die u niet in uw hart draagt, verneemt dat hij/zij een bijkomende (buitenechtelijke) relatie heeft. Dan is de kans groot dat u zult zeggen: natuurlijk, trouw zijn kan hij ook al niet, niet verwonderlijk van zo’n onnozele sufferd… Dat is de taal van kwaadwilligheid, vijandigheid en oorlog.
Maar stel dat u van uw beste vriend(in) verneemt dat hij/zij een bijkomende relatie heeft, dan zult u met veel meer menselijkheid en begrip reageren, zo in de aard van: waarschijnlijk komt hij/zij toch wel iets tekort in zijn/haar relatie, eigenlijk toch wel normaal dat hij/zij een hulpverloofde heeft, hij/zij heeft toch ook recht op affectie, dat is toch menselijk… Dat is de taal van welwillendheid, vriendelijkheid en liefde.
Naargelang u de betrokkene dus al dan niet in uw hart draagt, zult u een welwillende of een kwaadwillige lezing van de feiten geven, en dus een negatief of positief klinkende “beschrijving”, een taal van vijandigheid of van vriendelijkheid.
Het punt is dat als u beweert van uw partner te houden, dat dan zou moeten blijken uit uw taal en uit de beschrijving die u van het gebeurde geeft. Dan zult u met menselijkheid en begrip reageren. Dan doet u niet alsof de ander een vijand is die een vijandige daad heeft gesteld, waarvoor hij/zij nu zal moeten boeten.
U lijdt omdat u de ander als een slecht mens en als een vijand beschouwt. Martin Luther King zei: “We kunnen ons van een vijand ontdoen door ons te ontdoen van vijandigheid.” De gemakkelijkste manier om u van uw lijden te ontdoen, is uw partner weer met liefde te bekijken, in plaats van met gekwetstheid en wrok. Liefde is een oefening in het gebruik van een welwillend interpretatiekader.
Maar hoe kan ik hem/haar nu nog vertrouwen?
U moet hem/haar niet kunnen vertrouwen. U moet alleen uzelf vertrouwen, dat u altijd liefdevol naar de ander zult kijken, wat er ook gebeurt. Dat u de ander nooit als een vijand of als een onmens zult zien. De ander is verantwoordelijk voor zijn/haar gedrag, maar u bent verantwoordelijk voor uw gedrag. In die zin is het gebeuren een test voor uw relatie.
U mag vertrouwen ook niet verwarren met controle. U kunt het gedrag van uw partner niet controleren en paranoïde speurtochten in het leven van uw partner of in het verleden van uw relatie hebben meer te maken met controle dan met vertrouwen. Bovendien kan teveel detailkennis slopend zijn voor uw gemoedsrust. U raakt die beelden en verhalen dan nog maar moeilijk kwijt.
Bedenk ook dat als de ander uw vertrouwen beschaamt, dit meer zegt over de ander dan over uzelf.
Uw enige vraag moet zijn: kan ik die persoon nog liefhebben zoals hij/zij is? Inclusief zijn/haar bijzonderheden (zogenaamde “fouten” of “gebreken”)? Want u bent natuurlijk niet verplicht die persoon te blijven liefhebben… maar dan is het eventueel aan u om te erkennen dat u de ander niet (meer) kunt liefhebben. Dat betekent niet dat de ander fout of slecht is. Dat betekent alleen dat u hem niet (meer) kunt liefhebben zoals hij/zij is.
Maar dat is toch vernederend voor mij?
Niets wat de ander doet kan u vernederen, tenzij u zo weinig in uzelf gelooft dat u denkt dat uw waardigheid afhankelijk is van wat de ander doet. Maar dan geeft u de ander een macht die hij/zij in wezen niet heeft. U bent altijd wie u bent, ongeacht wat de ander doet. De ander kan alleen zichzelf vernederen en u kunt alleen uzelf vernederen.
Als de ander uw vertrouwen beschaamt, is dat uiteindelijk meer venederend voor de ander dan voor uzelf.
Hoe zal ik dat ooit kunnen vergeten?
U hoeft niets te vergeten. Belangrijke gebeurtenissen vergeet men nooit. Daarom is het belangrijk het gebeuren een menselijk gelaat te geven, er met mededogen naar te kijken, zodat de herinnering geen pijn of kwaadheid meer oproept.
Hoe kan ik het dan vergeven?
Vergeven heeft iets neerbuigends, alsof u vanop uw grote morele hoogte grootmoedig vergeving schenkt aan een arme zondaar die kwaad heeft gedaan. Uw partner is weliswaar een onvolmaakt mens, maar hij/zij is daarom geen slecht mens.
Om te beginnen bent u gewoon getuige geweest van de menselijkheid van uw partner. Zolang een mens leeft, kan hij ontroerd worden door andere mensen. Het is die eigenschap die maakt dat hij ook bij u is.
Bovendien doet u dan alsof u vlekkeloos en zonder zwakheden bent. Als dat zo zou zijn, dan zou dat inderdaad de verklaring zijn dat u de zwakheden van uw partner niet kunt begrijpen. Maar als dat niet zo is, dan zal het aanvaarden van uw eigen onvolmaaktheden u helpen om de onvolmaaktheden van uw partner te aanvaarden, en omgekeerd.
Ten slotte is het gebeuren waarschijnlijk geen vijandige daad tegenover u geweest. Er is veel kans dat dit ook voor uw partner als een onvoorziene verrassing is gekomen waarop hij/zij niet was voorbereid. Tenzij hij/zij bij u weg wil, maar dan liggen de zaken helemaal anders.
Kan hij/zij dan zo maar met om het even wie een relatie beginnen?
Deze vraag wijst op bijzonder weinig respect voor uw partner. Als uw partner met iemand een relatie zou beginnen, dan is dat waarschijnlijk niet om het even wie. Als u uw partner een waardevol persoon vindt, dan zou u er kunnen van uitgaan dat de persoon met wie hij/zij een relatie zou beginnen ook een waardevol persoon is (de welwillende interpretatie, remember?) En als hij/zij werkelijk met om het even wie een relatie zou beginnen, waarom bent u dan nog met hem/haar? U bent zelf toch ook niet om het even wie?
Maar moet ik dan alles zo maar goed vinden?
In de liefde gaat het niet over goedvinden of niet-goedvinden. Wij zijn niet op de wereld gekomen om elkaar te beoordelen en liefde is geen beloning voor goed gedrag.
Aanvaarden van de onvolmaaktheid van de ander, betekent niet dat u dat ook moet goedkeuren. Het betekent alleen aanvaarden.
In de liefde gaat het om het zien van het mooie, het verhevene, het goddelijke en tegelijk het menselijke en onvolmaakte in de ander. (zie de vraag over liefde)
On-trouw is een on-woord. Het wijst op iets slechts, iets verkeerds, iets negatiefs, de afwezigheid van iets goeds. Zoals de woorden on-weer, on-gedierte, on-kruid, on-mens. Het is vergelijkbaar met woorden met het voorvoegsel mis- of wan-: misdaad, misbruik, mistoestand, misverstand, wandaad, wangedrag, wantoestand …
Dat zijn negatieve manieren om de realiteit te benoemen, een negatieve kleuring, een negatieve lezing van de feiten, een negatief interpretatiekader. Het gebruik van dergelijke woorden is geen beschrijving maar een beoordeling en zelfs een veroordeling. Dergelijke woorden zijn als gekleurde etiketten die op de realiteit geplakt worden om een gevoel van afkeuring uit te drukken. Daardoor drukt u uit dat de ander naar uw mening een slecht mens is met waarschijnlijk slechte of alleszins verkeerde bedoelingen.
Tegelijk is het gebruik van dergelijke negatieve woorden oorzaak van nog meer negatieve gevoelens. Op die manier ontstaat dus een zelfonderhoudend proces: negatieve gevoelens => negatief interpretatiekader => nog meer negatieve gevoelens. Het is dus belangrijk in te zien dat uw gevoelens veel meer bepaald worden door het negatieve interpretatiekader dan door de feiten zelf, terwijl anderzijds uw gevoelens juist het negatieve interpretatiekader in stand houden.
Stel dat u aan de overkant van de straat een bekende ziet lopen. U groet vriendelijk. Stel dat die persoon uw groet niet beantwoordt. Hoe zult u reageren?
U kunt denken: hij doet alsof hij mij niet ziet, of: hij wil niets meer met mij te maken hebben. Dat is een ongunstige lezing, een kwaadwillige kleuring, een negatief interpretatiekader.
U kunt ook denken: hij had net zijn bril niet op, of: hij heeft mij niet herkend, of: hij was dermate in gedachten verzonken dat hij eigenlijk niet echt keek. Dat is dan een gunstige lezing, een welwillende kleuring, een positief interpretatiekader.
Een kwaadwillige lezing gebruiken we voor mensen die we niet in ons hart dragen.
Een welwillende lezing gebruiken we voor mensen die we wel in ons hart dragen.
Stel dat u van iemand die u niet in uw hart draagt, verneemt dat hij/zij een bijkomende (buitenechtelijke) relatie heeft. Dan is de kans groot dat u zult zeggen: natuurlijk, trouw zijn kan hij ook al niet, niet verwonderlijk van zo’n onnozele sufferd… Dat is de taal van kwaadwilligheid, vijandigheid en oorlog.
Maar stel dat u van uw beste vriend(in) verneemt dat hij/zij een bijkomende relatie heeft, dan zult u met veel meer menselijkheid en begrip reageren, zo in de aard van: waarschijnlijk komt hij/zij toch wel iets tekort in zijn/haar relatie, eigenlijk toch wel normaal dat hij/zij een hulpverloofde heeft, hij/zij heeft toch ook recht op affectie, dat is toch menselijk… Dat is de taal van welwillendheid, vriendelijkheid en liefde.
Naargelang u de betrokkene dus al dan niet in uw hart draagt, zult u een welwillende of een kwaadwillige lezing van de feiten geven, en dus een negatief of positief klinkende “beschrijving”, een taal van vijandigheid of van vriendelijkheid.
Het punt is dat als u beweert van uw partner te houden, dat dan zou moeten blijken uit uw taal en uit de beschrijving die u van het gebeurde geeft. Dan zult u met menselijkheid en begrip reageren. Dan doet u niet alsof de ander een vijand is die een vijandige daad heeft gesteld, waarvoor hij/zij nu zal moeten boeten.
U lijdt omdat u de ander als een slecht mens en als een vijand beschouwt. Martin Luther King zei: “We kunnen ons van een vijand ontdoen door ons te ontdoen van vijandigheid.” De gemakkelijkste manier om u van uw lijden te ontdoen, is uw partner weer met liefde te bekijken, in plaats van met gekwetstheid en wrok. Liefde is een oefening in het gebruik van een welwillend interpretatiekader.
Maar hoe kan ik hem/haar nu nog vertrouwen?
U moet hem/haar niet kunnen vertrouwen. U moet alleen uzelf vertrouwen, dat u altijd liefdevol naar de ander zult kijken, wat er ook gebeurt. Dat u de ander nooit als een vijand of als een onmens zult zien. De ander is verantwoordelijk voor zijn/haar gedrag, maar u bent verantwoordelijk voor uw gedrag. In die zin is het gebeuren een test voor uw relatie.
U mag vertrouwen ook niet verwarren met controle. U kunt het gedrag van uw partner niet controleren en paranoïde speurtochten in het leven van uw partner of in het verleden van uw relatie hebben meer te maken met controle dan met vertrouwen. Bovendien kan teveel detailkennis slopend zijn voor uw gemoedsrust. U raakt die beelden en verhalen dan nog maar moeilijk kwijt.
Bedenk ook dat als de ander uw vertrouwen beschaamt, dit meer zegt over de ander dan over uzelf.
Uw enige vraag moet zijn: kan ik die persoon nog liefhebben zoals hij/zij is? Inclusief zijn/haar bijzonderheden (zogenaamde “fouten” of “gebreken”)? Want u bent natuurlijk niet verplicht die persoon te blijven liefhebben… maar dan is het eventueel aan u om te erkennen dat u de ander niet (meer) kunt liefhebben. Dat betekent niet dat de ander fout of slecht is. Dat betekent alleen dat u hem niet (meer) kunt liefhebben zoals hij/zij is.
Maar dat is toch vernederend voor mij?
Niets wat de ander doet kan u vernederen, tenzij u zo weinig in uzelf gelooft dat u denkt dat uw waardigheid afhankelijk is van wat de ander doet. Maar dan geeft u de ander een macht die hij/zij in wezen niet heeft. U bent altijd wie u bent, ongeacht wat de ander doet. De ander kan alleen zichzelf vernederen en u kunt alleen uzelf vernederen.
Als de ander uw vertrouwen beschaamt, is dat uiteindelijk meer venederend voor de ander dan voor uzelf.
Hoe zal ik dat ooit kunnen vergeten?
U hoeft niets te vergeten. Belangrijke gebeurtenissen vergeet men nooit. Daarom is het belangrijk het gebeuren een menselijk gelaat te geven, er met mededogen naar te kijken, zodat de herinnering geen pijn of kwaadheid meer oproept.
Hoe kan ik het dan vergeven?
Vergeven heeft iets neerbuigends, alsof u vanop uw grote morele hoogte grootmoedig vergeving schenkt aan een arme zondaar die kwaad heeft gedaan. Uw partner is weliswaar een onvolmaakt mens, maar hij/zij is daarom geen slecht mens.
Om te beginnen bent u gewoon getuige geweest van de menselijkheid van uw partner. Zolang een mens leeft, kan hij ontroerd worden door andere mensen. Het is die eigenschap die maakt dat hij ook bij u is.
Bovendien doet u dan alsof u vlekkeloos en zonder zwakheden bent. Als dat zo zou zijn, dan zou dat inderdaad de verklaring zijn dat u de zwakheden van uw partner niet kunt begrijpen. Maar als dat niet zo is, dan zal het aanvaarden van uw eigen onvolmaaktheden u helpen om de onvolmaaktheden van uw partner te aanvaarden, en omgekeerd.
Ten slotte is het gebeuren waarschijnlijk geen vijandige daad tegenover u geweest. Er is veel kans dat dit ook voor uw partner als een onvoorziene verrassing is gekomen waarop hij/zij niet was voorbereid. Tenzij hij/zij bij u weg wil, maar dan liggen de zaken helemaal anders.
Kan hij/zij dan zo maar met om het even wie een relatie beginnen?
Deze vraag wijst op bijzonder weinig respect voor uw partner. Als uw partner met iemand een relatie zou beginnen, dan is dat waarschijnlijk niet om het even wie. Als u uw partner een waardevol persoon vindt, dan zou u er kunnen van uitgaan dat de persoon met wie hij/zij een relatie zou beginnen ook een waardevol persoon is (de welwillende interpretatie, remember?) En als hij/zij werkelijk met om het even wie een relatie zou beginnen, waarom bent u dan nog met hem/haar? U bent zelf toch ook niet om het even wie?
Maar moet ik dan alles zo maar goed vinden?
In de liefde gaat het niet over goedvinden of niet-goedvinden. Wij zijn niet op de wereld gekomen om elkaar te beoordelen en liefde is geen beloning voor goed gedrag.
Aanvaarden van de onvolmaaktheid van de ander, betekent niet dat u dat ook moet goedkeuren. Het betekent alleen aanvaarden.
In de liefde gaat het om het zien van het mooie, het verhevene, het goddelijke en tegelijk het menselijke en onvolmaakte in de ander. (zie de vraag over liefde)
Onderstaand interview verscheen in het Franse tijdschrift Plurielles. Zo kan het dus ook.
Dans son essai " La douce joie d'être trompée ", Catherine Laborde évoque l'idée d'un amour capable de passer outre la tromperie de l'être aimé. Interview.
La douce joie... Vous voulez dire l'atroce souffrance ?
Evidemment atroce souffrance... mais aussi douce joie ! Il m'a fallu tout un livre entier pour en parler, car elle est difficile à expliquer. Elle n'a rien de masochiste. C'est une joie qui vient après la souffrance et qui la dépasse.
L'amour connaît beaucoup d'obstacles, mais l'épreuve du feu, c'est la tromperie. Si l'on parvient à la dépasser, c'est que l'amour est toujours là. Cette joie vient de la prise de conscience que l'on aime encore. Si cette vibration est toujours présente après une telle épreuve, c'est que l'amour est assez fort.
Une passade, OK... mais une aventure suivie ?
C'est pareil. Il n'y a pas de différence entre un coup de canif et de poignard. C'est toujours une blessure qui fait mal. Qui peut dire qu'une passade d'un soir ne sera pas une histoire d'amour fulgurante ?
Il n'y a donc rien à pardonner ?
Non. Lui pardonner voudrait dire qu'on lui reproche d'être ce qu'il est. En amour, il faut une éthique très forte, mais on ne peut s'en référer qu'à soi-même. Il faut être sacrément libre pour cela.
Mais si un homme vous aime, comment peut-il supporter votre souffrance ?
C'est son problème, ce n'est pas le mien. Mais quand il me trompe, ce n'est pas contre moi. Il fait ça pour lui. On trompe parce que l'on est attiré par quelqu'un, pas pour faire mal à son conjoint.
Les accès de rancune sont souvent inévitables dans ces cas-là, mais il est inutile de les entretenir et de culpabiliser l'autre. Mieux vaut s'éloigner et se méfier de toute démonstration de sa souffrance.
L'infidélité est-elle inévitable ?
Non, je ne pense pas. Mais je n'ai rencontré que des hommes infidèles. Soit je les ai attiré, soit je les ai fabriqué, je ne sais pas... Mais je peux comprendre pourquoi ils ont été infidèles. Quand ce sont les plus beaux, les plus intelligents que vous aimez... Forcément, ils sont convoités par d'autres femmes.
Rêvez-vous d'un homme fidèle ?
Non, je rêve de l'homme que j'aime, mais pas de fidélité. Je rêve que l'amour entre nous deux dure toujours. Je pense que l'on peut rester vigilant sans pour autant construire son couple sur le mode des contraintes et des serments. Je n'y crois pas. Et il me semble que l'on ne peut demander à l'autre d'être fidèle, parce que c'est sa liberté.
Et vous, prenez-vous cette liberté ?
Non, moi je ne trompe pas, mais ce n'est pas pour des raisons morales. Simplement, je ne sais pas. Quand je tombe amoureuse, j'y mets toute mon énergie. C'est une question de fonctionnement personnel.
Que conseilleriez-vous aux femmes trompées ?
Ce que je trouve le plus dangereux dans cette situation, c'est la perte de l'estime de soi. C'est ça qu'il faut sauver en premier.
Au tout début, c'est surtout le regard des autres qui fait mal, mais il n'a aucune importance. Même si c'est difficile de ne pas y penser.
Je conseillerais aux femmes de ne suivre aucun conseil, de se faire confiance. Leur dire que l'on peut toujours dépasser la douleur, soit pour passer à un nouvel amour, soit pour vivre encore cet amour.
La douce joie d'être trompée de Catherine Laborde
Editions Anne Carrière
Marie-Lucie VANLERBERGHE - le 09/07/2009
vrijdag 5 februari 2010
Mijn partner irriteert mij vaak en we hebben vaak ruzie. Hoe kan ik daar beter mee leren omgaan?
Zolang men alleen is, kan men gemakkelijk het idee koesteren dat men een bijzonder spiritueel wezen is en dat men “peace of mind” heeft bereikt, maar een relatie is de uiteindelijke test, het laboratorium (en soms de arena) voor onze levenskunst.
Elke relatie is een weerspiegeling van de relatie met jezelf. Zolang er boosheid en agressiviteit in jezelf aanwezig is, zal er ook boosheid en agressiviteit in je relaties zijn. Ruzie is wederzijdse agressiviteit. Elke agressiviteit en elk geweld begint bij het idee dat de ander niet goed is zoals hij is en gecorrigeerd moet worden. Het idee is dat de ander “fouten” of “tekortkomingen” vertoont die ons het recht geven ons te ergeren en op te winden en die wij moeten bijsturen. De boosheid en agressiviteit kan heel openlijk en zichtbaar tot uiting komen als psychisch geweld in de vorm van verwijten en beledigingen of zelfs als fysiek geweld, maar kan ook ogenschijnlijk heel zachtaardig zijn in de vorm van verwachtingen, ontgoochelingen, verdriet en andere vormen van affectieve agressie en emotionele chantage.
Boosheid en agressie wijzen erop dat de ander niet als een volwaardig mens wordt gezien, maar als een bij te sturen onvolkomen mens. Dat is een fundamenteel gebrek aan liefde en respect. Daardoor ontaardt elke relatie onvermijdelijk in een oorlogsgebied waarop een machtsstrijd wordt uitgevochten. De meest gebruikte wapens zijn zwaar emotioneel geladen beledigende en vernederende uitspraken als “egoïstisch zijn”, “niet willen inzien”, “van slechte wil zijn”, “verraad”, “bedrog”, “profiteren”, “misbruik maken”, “in de steek laten”, e.d. Op die manier projecteren we negatieve eigenschappen op de ander die daardoor de “slechte ander” wordt waarop we terecht boos kunnen zijn omdat hij ons “boos heeft gemaakt”. De ander is dus de schuld van onze boosheid.
Om tot een leven met minder ruzie te komen, is een fundamenteel pacifistische houding wenselijk. Daartoe zijn maar twee ingrediënten noodzakelijk: verwijten en agressie van de ander minder persoonlijk nemen, en zelf minder verwijten en agressie produceren.
Het eerste punt wordt geïllustreerd in een bekend Zen-verhaal. Stel dat je met je bootje rustig op een rivier aan het varen bent en van de natuur geniet, en dat er plots een ander bootje tegen je opbotst. Het is begrijpelijk dat je dan geïrriteerd en boos zult reageren, tot je je omdraait en merkt dat het andere bootje gewoon leeg is… Dan verdwijnt toch je boosheid? Het voorval is nog wel vervelend, maar er is domweg niemand om boos op te worden. Je boosheid verdwijnt dan ook vrijwel meteen… Je duwt het andere bootje weg en je vaart door met je eigen bootje.
Het inzicht is dat de ander vaak als een leeg bootje is. Er is niemand die je bewust heeft willen ergeren of boos maken. De ander was gewoon zo bezig met zijn eigen leven en zijn eigen problemen, dat hij onoplettend tegen jouw bootje is gevaren. Met andere woorden: zie het gedrag van de ander als een veruitwendiging van de problemen van die ander en niet als een vijandige aanval op het eigen leven en welzijn.
Het tweede punt vereist dat we niet langer van de ander eisen dat hij aan onze behoeften voldoet. Daardoor maken we de ander immers tot een instrument van onze behoeftenbevrediging. Dan gaat het om onszelf en niet om de ander terwijl liefde juist aandacht voor en aanvaarding van de ander is…
Een moeilijkheid is dat we zo vaak niet durven zeggen wat we echt willen of nodig hebben. Daardoor geven we ons immers bloot en denken we dat we zwak en kwetsbaar zijn. We worden dan immers afhankelijk van de ander. In de plaats daarvan is het gemakkelijker en stoerder om de ander te verwijten niet voldoende aandachtig of liefdevol voor ons te zijn. We projecteren ons ongenoegen op de ander. Het gevolg is dat de ander zich aangevallen zal voelen en zich zal verdedigen door op zijn beurt verwijten en beschuldigingen te uiten.
De remedie hiervoor is meer transparant te worden en gewoon uit te spreken wat men zelf echt voelt en wenst, op basis van de eigen behoeften, in plaats van zich te verschuilen achter verwijten en beschuldigingen. Dat is de basis van geweldloze communicatie. Daartoe zal het ook nodig zijn een meer pacifistische en respectueuze taal te leren spreken in plaats van de hogergenoemde zwaar emotioneel beladen taal. Men kan bijv. spreken over de “keuze” die de ander gemaakt heeft in plaats van over “verraad” of “onwil”. Het komt er dus op aan een meer respectvolle, beschrijvende taal te leren gebruiken in plaats van een oordelende en veroordelende. Wederzijds respect is de bottom-line van een relatie. Als die bodem eruit gevallen is, wordt de relatie een strijdtoneel.
Daartoe moet wel even stilgestaan worden bij de eigen gevoelens van irritatie en boosheid, om te onderzoeken wat men nu in feite echt verlangt. Dat kan dan ook uitgesproken worden in de vorm van een wens, een verlangen, in plaats van als een eis, een bevel of een verwijt.
Zolang men alleen is, kan men gemakkelijk het idee koesteren dat men een bijzonder spiritueel wezen is en dat men “peace of mind” heeft bereikt, maar een relatie is de uiteindelijke test, het laboratorium (en soms de arena) voor onze levenskunst.
Elke relatie is een weerspiegeling van de relatie met jezelf. Zolang er boosheid en agressiviteit in jezelf aanwezig is, zal er ook boosheid en agressiviteit in je relaties zijn. Ruzie is wederzijdse agressiviteit. Elke agressiviteit en elk geweld begint bij het idee dat de ander niet goed is zoals hij is en gecorrigeerd moet worden. Het idee is dat de ander “fouten” of “tekortkomingen” vertoont die ons het recht geven ons te ergeren en op te winden en die wij moeten bijsturen. De boosheid en agressiviteit kan heel openlijk en zichtbaar tot uiting komen als psychisch geweld in de vorm van verwijten en beledigingen of zelfs als fysiek geweld, maar kan ook ogenschijnlijk heel zachtaardig zijn in de vorm van verwachtingen, ontgoochelingen, verdriet en andere vormen van affectieve agressie en emotionele chantage.
Boosheid en agressie wijzen erop dat de ander niet als een volwaardig mens wordt gezien, maar als een bij te sturen onvolkomen mens. Dat is een fundamenteel gebrek aan liefde en respect. Daardoor ontaardt elke relatie onvermijdelijk in een oorlogsgebied waarop een machtsstrijd wordt uitgevochten. De meest gebruikte wapens zijn zwaar emotioneel geladen beledigende en vernederende uitspraken als “egoïstisch zijn”, “niet willen inzien”, “van slechte wil zijn”, “verraad”, “bedrog”, “profiteren”, “misbruik maken”, “in de steek laten”, e.d. Op die manier projecteren we negatieve eigenschappen op de ander die daardoor de “slechte ander” wordt waarop we terecht boos kunnen zijn omdat hij ons “boos heeft gemaakt”. De ander is dus de schuld van onze boosheid.
Om tot een leven met minder ruzie te komen, is een fundamenteel pacifistische houding wenselijk. Daartoe zijn maar twee ingrediënten noodzakelijk: verwijten en agressie van de ander minder persoonlijk nemen, en zelf minder verwijten en agressie produceren.
Het eerste punt wordt geïllustreerd in een bekend Zen-verhaal. Stel dat je met je bootje rustig op een rivier aan het varen bent en van de natuur geniet, en dat er plots een ander bootje tegen je opbotst. Het is begrijpelijk dat je dan geïrriteerd en boos zult reageren, tot je je omdraait en merkt dat het andere bootje gewoon leeg is… Dan verdwijnt toch je boosheid? Het voorval is nog wel vervelend, maar er is domweg niemand om boos op te worden. Je boosheid verdwijnt dan ook vrijwel meteen… Je duwt het andere bootje weg en je vaart door met je eigen bootje.
Het inzicht is dat de ander vaak als een leeg bootje is. Er is niemand die je bewust heeft willen ergeren of boos maken. De ander was gewoon zo bezig met zijn eigen leven en zijn eigen problemen, dat hij onoplettend tegen jouw bootje is gevaren. Met andere woorden: zie het gedrag van de ander als een veruitwendiging van de problemen van die ander en niet als een vijandige aanval op het eigen leven en welzijn.
Het tweede punt vereist dat we niet langer van de ander eisen dat hij aan onze behoeften voldoet. Daardoor maken we de ander immers tot een instrument van onze behoeftenbevrediging. Dan gaat het om onszelf en niet om de ander terwijl liefde juist aandacht voor en aanvaarding van de ander is…
Een moeilijkheid is dat we zo vaak niet durven zeggen wat we echt willen of nodig hebben. Daardoor geven we ons immers bloot en denken we dat we zwak en kwetsbaar zijn. We worden dan immers afhankelijk van de ander. In de plaats daarvan is het gemakkelijker en stoerder om de ander te verwijten niet voldoende aandachtig of liefdevol voor ons te zijn. We projecteren ons ongenoegen op de ander. Het gevolg is dat de ander zich aangevallen zal voelen en zich zal verdedigen door op zijn beurt verwijten en beschuldigingen te uiten.
De remedie hiervoor is meer transparant te worden en gewoon uit te spreken wat men zelf echt voelt en wenst, op basis van de eigen behoeften, in plaats van zich te verschuilen achter verwijten en beschuldigingen. Dat is de basis van geweldloze communicatie. Daartoe zal het ook nodig zijn een meer pacifistische en respectueuze taal te leren spreken in plaats van de hogergenoemde zwaar emotioneel beladen taal. Men kan bijv. spreken over de “keuze” die de ander gemaakt heeft in plaats van over “verraad” of “onwil”. Het komt er dus op aan een meer respectvolle, beschrijvende taal te leren gebruiken in plaats van een oordelende en veroordelende. Wederzijds respect is de bottom-line van een relatie. Als die bodem eruit gevallen is, wordt de relatie een strijdtoneel.
Daartoe moet wel even stilgestaan worden bij de eigen gevoelens van irritatie en boosheid, om te onderzoeken wat men nu in feite echt verlangt. Dat kan dan ook uitgesproken worden in de vorm van een wens, een verlangen, in plaats van als een eis, een bevel of een verwijt.
woensdag 20 januari 2010
Waarom trek ik schijnbaar altijd de verkeerde mensen of gebeurtenissen aan?
Mensen en gebeurtenissen komen in je leven om een bepaalde reden, omdat ze je iets te leren hebben. Ze zijn een feedback of een correctie van het leven.
Als iemand in je leven is, is het omdat die persoon een functie heeft.
Als zich een probleem in je leven voordoet, is het omdat je iets te leren hebt.
Ze zijn gekomen om je door een moeilijkheid heen te helpen, je te begeleiden en je fysiek, emotioneel of spiritueel te helpen. Ze zijn er om je te helpen een onwetendheid op te helderen of een beperking in je denken te corrigeren. Ze zijn er om je te helpen wakker te worden. Ze zijn er om een reden waarom het nodig is dat ze er zijn. Als die reden er niet was, zouden ze er niet zijn.
De Dalaï Lama zei: “Pijn is het leven dat tot je spreekt, op een manier die het best je aandacht trekt.”
Aanvaard en leer dus…
Mensen en gebeurtenissen komen in je leven om een bepaalde reden, omdat ze je iets te leren hebben. Ze zijn een feedback of een correctie van het leven.
Als iemand in je leven is, is het omdat die persoon een functie heeft.
Als zich een probleem in je leven voordoet, is het omdat je iets te leren hebt.
Ze zijn gekomen om je door een moeilijkheid heen te helpen, je te begeleiden en je fysiek, emotioneel of spiritueel te helpen. Ze zijn er om je te helpen een onwetendheid op te helderen of een beperking in je denken te corrigeren. Ze zijn er om je te helpen wakker te worden. Ze zijn er om een reden waarom het nodig is dat ze er zijn. Als die reden er niet was, zouden ze er niet zijn.
De Dalaï Lama zei: “Pijn is het leven dat tot je spreekt, op een manier die het best je aandacht trekt.”
Aanvaard en leer dus…
dinsdag 5 januari 2010
Ik weet niet wie ik ben. Hoe kan ik weten wie ik echt ben?
Niemand van ons weet wie hij echt, werkelijk, authentiek, diep… is. Je weet alleen hoe je tot dusver geweest bent als gevolg van de talloze aangeleerde overtuigingen en patronen van denken en handelen. Dat is “Ikzelf, versie 1.0”. Die versie 1.0 kun je leren kennen zoals je elk mens leert kennen: door te luisteren naar wat je zegt en (vooral) door te kijken naar wat je doet. De belangrijkste vraag is dan niet hoe dat zo gekomen is, maar wel: wil je zo doorgaan? Ben je van plan zo te blijven of wil je voortaan een andere versie van jezelf neerzetten? Een versie 2.0 of 3.0?
Al die versies ben je heel echt. Je bent namelijk altijd echt. Zelfs als je je onecht zou voordoen, zou dat echt zijn wat je dan bent! De vraag is dus niet zozeer wie je echt bent, maar wel wie je wil zijn! De vraag is wat de waarden en overtuigingen zijn waar je wil voor staan. Je moet immers niets. Een volwassene moet niets, ongeacht wat anderen ook denken of verwachten. Moeten en mogen zijn woorden uit de kinderwereld en de kindertaal. Een kind wordt immers verplicht om dingen te doen en heeft daarbij geen keuze. Maar een volwassene moet niets en heeft altijd keuze. Er zijn misschien keuzen die men niet wenst te maken, maar dat neemt niet weg dat het keuzen zijn. Die vrijheid is de basis van creativiteit. Een volwassene handelt dus niet omdat hij iets moet of mag, maar omdat hij kiest en bepaalde beslissingen neemt. Een volwassene beslist op grond van waarden en redelijkheid. Een volwassene leeft (in principe) waardegericht. Alleen kinderen (en sommige volwassenen) die de redelijkheid van bepaalde beslissingen nog niet kunnen inzien, moeten in hun eigen belang verplicht worden tot bepaalde keuzen. Kinderen kunnen bijv. niet alleen maar dingen eten die zij fijn vinden, zij moeten ook dingen eten die goed en voedzaam zijn, ook al begrijpen ze dat nog niet. Een volwassene eet bepaalde voedingsmiddelen omdat hij weet dat die gezond zijn. Een volwassene rijdt rechts en betaalt belastingen omdat hij de redelijkheid van het verkeersreglement en van het betalen van belastingen inziet en begrijpt dat dit in ieders voordeel is, niet omdat hij verplicht moet worden…
Onze psychologische realiteit, onze ervaring van wie wij op dit ogenblik zijn en hoe wij in de wereld staan, kunnen wij niet zo goed in abstracte, algemene concepten weergeven, maar kunnen wij het best vatten en begrijpen in een beeld, een metafoor. Dat neemt de vorm aan van een uitspraak als: “Ik voel mij als…” Vaak zal een dergelijk beeld onbewust zijn. Dat neemt niet weg dat het onze kijk op onszelf en op de wereld bepaalt. Het loont dan ook de moeite deze beeldvorming bewuster te laten worden. Voor wie zichzelf bijv. omschrijft als een gevangene, is dat de beleefde, de psychische realiteit. Dat is zijn psycho-logica, ongeacht hoe rationeel of logisch die uitspraak verder ook moge zijn. Voor wie zichzelf omschrijft als iemand die verloren is in de mist of die zijn “roots” kwijt is, zal dat de realiteit zijn.
Daarnaast is het van belang een positief beeld, een visie voor de toekomst te ontwikkelen. Dat is een vorm van leiderschap die essentieel is voor een creatief, scheppend leven. Hoe wil ik mezelf in de toekomst gaan zien? Wil ik mezelf als een kleine, bange muis blijven omschrijven? Geloof ik misschien dat dat mijn lot is of dat ik geen andere keuze heb? Dan zal ik een andere levenservaring tegemoet gaan dan iemand die zichzelf ziet als een adelaar die in zijn vlucht niet gestoord wordt door het geblaat van schapen…
Niemand van ons weet wie hij echt, werkelijk, authentiek, diep… is. Je weet alleen hoe je tot dusver geweest bent als gevolg van de talloze aangeleerde overtuigingen en patronen van denken en handelen. Dat is “Ikzelf, versie 1.0”. Die versie 1.0 kun je leren kennen zoals je elk mens leert kennen: door te luisteren naar wat je zegt en (vooral) door te kijken naar wat je doet. De belangrijkste vraag is dan niet hoe dat zo gekomen is, maar wel: wil je zo doorgaan? Ben je van plan zo te blijven of wil je voortaan een andere versie van jezelf neerzetten? Een versie 2.0 of 3.0?
Al die versies ben je heel echt. Je bent namelijk altijd echt. Zelfs als je je onecht zou voordoen, zou dat echt zijn wat je dan bent! De vraag is dus niet zozeer wie je echt bent, maar wel wie je wil zijn! De vraag is wat de waarden en overtuigingen zijn waar je wil voor staan. Je moet immers niets. Een volwassene moet niets, ongeacht wat anderen ook denken of verwachten. Moeten en mogen zijn woorden uit de kinderwereld en de kindertaal. Een kind wordt immers verplicht om dingen te doen en heeft daarbij geen keuze. Maar een volwassene moet niets en heeft altijd keuze. Er zijn misschien keuzen die men niet wenst te maken, maar dat neemt niet weg dat het keuzen zijn. Die vrijheid is de basis van creativiteit. Een volwassene handelt dus niet omdat hij iets moet of mag, maar omdat hij kiest en bepaalde beslissingen neemt. Een volwassene beslist op grond van waarden en redelijkheid. Een volwassene leeft (in principe) waardegericht. Alleen kinderen (en sommige volwassenen) die de redelijkheid van bepaalde beslissingen nog niet kunnen inzien, moeten in hun eigen belang verplicht worden tot bepaalde keuzen. Kinderen kunnen bijv. niet alleen maar dingen eten die zij fijn vinden, zij moeten ook dingen eten die goed en voedzaam zijn, ook al begrijpen ze dat nog niet. Een volwassene eet bepaalde voedingsmiddelen omdat hij weet dat die gezond zijn. Een volwassene rijdt rechts en betaalt belastingen omdat hij de redelijkheid van het verkeersreglement en van het betalen van belastingen inziet en begrijpt dat dit in ieders voordeel is, niet omdat hij verplicht moet worden…
Onze psychologische realiteit, onze ervaring van wie wij op dit ogenblik zijn en hoe wij in de wereld staan, kunnen wij niet zo goed in abstracte, algemene concepten weergeven, maar kunnen wij het best vatten en begrijpen in een beeld, een metafoor. Dat neemt de vorm aan van een uitspraak als: “Ik voel mij als…” Vaak zal een dergelijk beeld onbewust zijn. Dat neemt niet weg dat het onze kijk op onszelf en op de wereld bepaalt. Het loont dan ook de moeite deze beeldvorming bewuster te laten worden. Voor wie zichzelf bijv. omschrijft als een gevangene, is dat de beleefde, de psychische realiteit. Dat is zijn psycho-logica, ongeacht hoe rationeel of logisch die uitspraak verder ook moge zijn. Voor wie zichzelf omschrijft als iemand die verloren is in de mist of die zijn “roots” kwijt is, zal dat de realiteit zijn.
Daarnaast is het van belang een positief beeld, een visie voor de toekomst te ontwikkelen. Dat is een vorm van leiderschap die essentieel is voor een creatief, scheppend leven. Hoe wil ik mezelf in de toekomst gaan zien? Wil ik mezelf als een kleine, bange muis blijven omschrijven? Geloof ik misschien dat dat mijn lot is of dat ik geen andere keuze heb? Dan zal ik een andere levenservaring tegemoet gaan dan iemand die zichzelf ziet als een adelaar die in zijn vlucht niet gestoord wordt door het geblaat van schapen…
woensdag 20 mei 2009
Ik laat voortdurend over mij heen lopen en als ik neen zeg voel ik mij schuldig. Mensen zeggen soms dat ik te goed ben. Wat moet ik doen om meer assertief te zijn? Hoe kan ik mij beschermen en mijn grenzen stellen?
Stel u gerust: te goed zijn is even onmogelijk als te gezond zijn.
Als mensen “over zich heen laten lopen” is dat meestal uit angst voor afwijzing door de anderen. Zij sloven zich uit om de aanvaarding en de goedkeuring van anderen te krijgen. Zij zijn bang om “mensen te kwetsen” omdat ze bang zijn niet aanvaard te zullen worden. Die angst berust op de biologische angst van elk zoogdier om niet aanvaard te worden en uit het nest of uit de groep gestoten te worden. Ook voor kinderen is aanvaard worden een levensnoodzaak. Volwassenen begrijpen dat die aanvaarding weliswaar nog altijd plezierig is, maar niet meer levensnoodzakelijk. Volwassenen begrijpen ook dat je altijd wel door sommigen aanvaard zult worden en door anderen niet.
Mensen die bang zijn om anderen te “kwetsen” beseffen ze niet dat zij er daarbij impliciet van uitgaan dat de anderen niet voldoende volwassen zijn om in staat te zijn voor zichzelf te zorgen. Maar daardoor bewijzen de anderen geen dienst. Door hun (over)bezorgdheid behandelen ze anderen immers als zwakke en incompetente personen die beschermd moeten worden. Zij maken anderen afhankelijk van hun “hulp” en helpen ze niet om op langere termijn voor zichzelf te kunnen zorgen. In ernstige gevallen spreekt men van co-dependentie, d.i. een afhankelijkheid van de afhankelijkheid van anderen. Zij hebben mensen nodig die geholpen willen worden omdat zij het nodig hebben mensen te kunnen helpen om zich goed te kunnen voelen. (Vraag: wie helpt dan wie?)
Het is belangrijk te begrijpen dat deze mensen in werkelijkheid niets doen “voor anderen”, maar alleen voor zichzelf. De zogenaamde “opoffering” is een illusie. Niemand “offert zich op”. Hun gedrag is immers gebaseerd op hun eigen behoeften en emoties en gaat dus niet over de ander. Voor sommigen lijkt het moeilijk te aanvaarden dat mensen in feite altijd voor zichzelf handelen. Als iemand iets doet “voor een ander”, is dat immers omdat hij het zelf nodig of belangrijk vindt om dat voor die ander te doen. Mensen doen dus altijd wat ze willen en ze doen dat altijd om hun eigen redenen. De eigen reden is in de meeste gevallen angst om afgewezen te worden. De eigen reden komt dus neer op de behoefte om aanvaard te worden.
Maar in werkelijkheid is het zo dat mensen veel gemakkelijker door anderen aanvaard worden als ze beginnen met zich goed te voelen in plaats van dat van anderen te laten afhangen. Anderen reageren immers ook altijd op ons gedrag. De manier waarop je je tegenover jezelf gedraagt, is voor anderen een model voor hoe zij zich tegenover jou zullen gedragen. Je moet niet verwachten dat anderen meer respect zullen tonen dan je voor jezelf toont. Niemand kan “over je heen lopen” als je rechtop blijft staan, maar als je je als een voetmat gedraagt, dan zul je mensen aantrekken die hun voeten willen vegen. Als je toont dat de kwaliteit van je leven voor jou niet zo belangrijk is, dan moet je niet verwachten dat anderen dat wel zullen doen.
Het gevolg is wel dat je jezelf tot een zeurend en klagend iemand maakt. Klagen lucht wel even op maar uiteindelijk maak je het daardoor erger voor jezelf. Door je afhankelijkheid geef je anderen een macht over jou en stel je je zwak op. Je traint jezelf in het ongelukkig zijn en klagen. Je geeft de ander dus niet de beste versie van jezelf. Als je echt iets voor de ander zou willen doen, dan kun je dat alleen maar doen door de beste versie van jezelf te geven. De ander heeft geen behoefte aan een slachtoffer of aan een slaafje, maar aan iemand waar hij kan naar opkijken. En als de ander toch een slaafje zou willen, dan bewijs je hem geen dienst door daar op in te gaan. Dan zou je hem juist een grotere dienst bewijzen door hem er vriendelijk op te wijzen dat andere mensen geen slaafjes zijn.
Als je de anderen en jezelf een echte dienst wil bewijzen, creëer dan in je geest de best mogelijke versie van het grootst mogelijke idee van jezelf en handel dienovereenkomstig. In feite is het veel gemakkelijker door anderen aanvaard te worden als je begint met je goed te voelen! Mensen zoeken het gezelschap van mensen die zich goed voelen, niet van zwakke en bange mensen.
Ben ik dan nog wel gewapend tegen de anderen? Ik moet mij toch beschermen?
Dan heb je geen wapens en geen bescherming meer nodig! Wapens en bescherming zijn tekens van zwakte en angst die je alleen maar nodig hebt als je denkt in vijandig gebied te zijn. Maar de anderen zijn je vijanden niet en de beste afweer tegen de negativiteit van anderen is een schild van positiviteit en vriendelijkheid. De gedragsmatige uiting van vriendelijkheid is een glimlach. Daardoor “ontwapen” je de ander en toon je dat de ander geen macht over jou heeft, dat je de macht over jezelf in handen hebt.
Maar de mensen zijn zo negatief en agressief!
De vraag is niet hoe de mensen zijn of hoe je ze kunt beoordelen, de vraag is hoe je zelf wil zijn! Mensen zijn agressief en gewelddadig als zij geen andere mogelijkheden meer zien en zich bang en machteloos voelen. Zij zijn vaak als kinderen die uit machteloze woede en frustratie tegen de meubelen schoppen. De samenleving reageert daarop vaak op haar beurt met geweld (straffen, gevangenissen, oorlog … ) omdat zij evenzeer geen andere mogelijkheden ziet. Dat houdt de cyclus van geweld en agressie in stand. Op die manier blijft men in de barbaarsheid. De oplossing voor het probleem van geweld is immers niet nog méér geweld, maar de overgang naar andere, geweldloze en meer liefdevolle wijzen van denken en gedrag.
Stel u gerust: te goed zijn is even onmogelijk als te gezond zijn.
Als mensen “over zich heen laten lopen” is dat meestal uit angst voor afwijzing door de anderen. Zij sloven zich uit om de aanvaarding en de goedkeuring van anderen te krijgen. Zij zijn bang om “mensen te kwetsen” omdat ze bang zijn niet aanvaard te zullen worden. Die angst berust op de biologische angst van elk zoogdier om niet aanvaard te worden en uit het nest of uit de groep gestoten te worden. Ook voor kinderen is aanvaard worden een levensnoodzaak. Volwassenen begrijpen dat die aanvaarding weliswaar nog altijd plezierig is, maar niet meer levensnoodzakelijk. Volwassenen begrijpen ook dat je altijd wel door sommigen aanvaard zult worden en door anderen niet.
Mensen die bang zijn om anderen te “kwetsen” beseffen ze niet dat zij er daarbij impliciet van uitgaan dat de anderen niet voldoende volwassen zijn om in staat te zijn voor zichzelf te zorgen. Maar daardoor bewijzen de anderen geen dienst. Door hun (over)bezorgdheid behandelen ze anderen immers als zwakke en incompetente personen die beschermd moeten worden. Zij maken anderen afhankelijk van hun “hulp” en helpen ze niet om op langere termijn voor zichzelf te kunnen zorgen. In ernstige gevallen spreekt men van co-dependentie, d.i. een afhankelijkheid van de afhankelijkheid van anderen. Zij hebben mensen nodig die geholpen willen worden omdat zij het nodig hebben mensen te kunnen helpen om zich goed te kunnen voelen. (Vraag: wie helpt dan wie?)
Het is belangrijk te begrijpen dat deze mensen in werkelijkheid niets doen “voor anderen”, maar alleen voor zichzelf. De zogenaamde “opoffering” is een illusie. Niemand “offert zich op”. Hun gedrag is immers gebaseerd op hun eigen behoeften en emoties en gaat dus niet over de ander. Voor sommigen lijkt het moeilijk te aanvaarden dat mensen in feite altijd voor zichzelf handelen. Als iemand iets doet “voor een ander”, is dat immers omdat hij het zelf nodig of belangrijk vindt om dat voor die ander te doen. Mensen doen dus altijd wat ze willen en ze doen dat altijd om hun eigen redenen. De eigen reden is in de meeste gevallen angst om afgewezen te worden. De eigen reden komt dus neer op de behoefte om aanvaard te worden.
Maar in werkelijkheid is het zo dat mensen veel gemakkelijker door anderen aanvaard worden als ze beginnen met zich goed te voelen in plaats van dat van anderen te laten afhangen. Anderen reageren immers ook altijd op ons gedrag. De manier waarop je je tegenover jezelf gedraagt, is voor anderen een model voor hoe zij zich tegenover jou zullen gedragen. Je moet niet verwachten dat anderen meer respect zullen tonen dan je voor jezelf toont. Niemand kan “over je heen lopen” als je rechtop blijft staan, maar als je je als een voetmat gedraagt, dan zul je mensen aantrekken die hun voeten willen vegen. Als je toont dat de kwaliteit van je leven voor jou niet zo belangrijk is, dan moet je niet verwachten dat anderen dat wel zullen doen.
Het gevolg is wel dat je jezelf tot een zeurend en klagend iemand maakt. Klagen lucht wel even op maar uiteindelijk maak je het daardoor erger voor jezelf. Door je afhankelijkheid geef je anderen een macht over jou en stel je je zwak op. Je traint jezelf in het ongelukkig zijn en klagen. Je geeft de ander dus niet de beste versie van jezelf. Als je echt iets voor de ander zou willen doen, dan kun je dat alleen maar doen door de beste versie van jezelf te geven. De ander heeft geen behoefte aan een slachtoffer of aan een slaafje, maar aan iemand waar hij kan naar opkijken. En als de ander toch een slaafje zou willen, dan bewijs je hem geen dienst door daar op in te gaan. Dan zou je hem juist een grotere dienst bewijzen door hem er vriendelijk op te wijzen dat andere mensen geen slaafjes zijn.
Als je de anderen en jezelf een echte dienst wil bewijzen, creëer dan in je geest de best mogelijke versie van het grootst mogelijke idee van jezelf en handel dienovereenkomstig. In feite is het veel gemakkelijker door anderen aanvaard te worden als je begint met je goed te voelen! Mensen zoeken het gezelschap van mensen die zich goed voelen, niet van zwakke en bange mensen.
Ben ik dan nog wel gewapend tegen de anderen? Ik moet mij toch beschermen?
Dan heb je geen wapens en geen bescherming meer nodig! Wapens en bescherming zijn tekens van zwakte en angst die je alleen maar nodig hebt als je denkt in vijandig gebied te zijn. Maar de anderen zijn je vijanden niet en de beste afweer tegen de negativiteit van anderen is een schild van positiviteit en vriendelijkheid. De gedragsmatige uiting van vriendelijkheid is een glimlach. Daardoor “ontwapen” je de ander en toon je dat de ander geen macht over jou heeft, dat je de macht over jezelf in handen hebt.
Maar de mensen zijn zo negatief en agressief!
De vraag is niet hoe de mensen zijn of hoe je ze kunt beoordelen, de vraag is hoe je zelf wil zijn! Mensen zijn agressief en gewelddadig als zij geen andere mogelijkheden meer zien en zich bang en machteloos voelen. Zij zijn vaak als kinderen die uit machteloze woede en frustratie tegen de meubelen schoppen. De samenleving reageert daarop vaak op haar beurt met geweld (straffen, gevangenissen, oorlog … ) omdat zij evenzeer geen andere mogelijkheden ziet. Dat houdt de cyclus van geweld en agressie in stand. Op die manier blijft men in de barbaarsheid. De oplossing voor het probleem van geweld is immers niet nog méér geweld, maar de overgang naar andere, geweldloze en meer liefdevolle wijzen van denken en gedrag.
zaterdag 25 april 2009
Ik heb zo weinig zelfvertrouwen en ik hou niet van mezelf. Kan ik leren meer van mezelf te houden?
Op de eerste plaats moet onderscheid gemaakt worden tussen zelfwaardering en zelfvertrouwen.
Zelfwaardering is de erkenning van het recht om te bestaan, om er te zijn. Twijfel aan het recht om te bestaan kan ontstaan bij mensen die als kind niet voldoende ervaren hebben dat het goed was er te zijn omwille van het loutere feit er te zijn. Dit zijn kinderen die vaak beoordeeld (d.i. goedgekeurd of afgekeurd) werden op hun gedrag en hun prestaties. Deze kinderen leren dat liefde voorwaardelijk is en een beloning is van goed gedrag. Iemand die als kind geen zelfwaardering heeft geleerd, kan als volwassene toch nog tot het inzicht en de overtuiging komen dat het recht om te bestaan niet van anderen gekregen kan worden. Men heeft het recht er te zijn, gewoon omdat men geboren is. Men krijgt het recht er te zijn van het leven zelf. Een kind kan dit soort overwegingen niet maken en heeft de ervaring nodig. Een volwassene kan door reflectie alsnog tot deze ervaring komen. Denken dat men niet het recht heeft er te zijn, is immers een gebrek aan inzicht in het leven. Men heeft het recht er te zijn, omdat men er is.
De liefde van ouders is vaak immers van een bedenkelijke en oordelende kwaliteit en geeft vaak een verwrongen beeld van wat liefde is. Weinig mensen hebben heldere ideeën over wat liefde eigenlijk inhoudt. De liefde van andere mensen is vaak zeer voorwaardelijk en weinig betrouwbaar en wij geloven ook niet meer dat er een god is die van ons houdt. Wij lijken dus op niemand te kunnen rekenen om van ons te houden, zodat er ons niets anders rest dan van onszelf te houden. Maar daar hebben wij weinig modellen voor en dat vergt een reflectie waar een kind niet toe in staat is. Een kind kan het gebrek aan liefde alleen begrijpen als een gevolg van het feit dat het zelf niet goed genoeg is en geen liefde waard is.
Van jezelf houden is niet verliefd zijn op jezelf of jezelf bewonderen voor je eigenschappen of kwaliteiten, maar is open staan voor en respect hebben voor het leven dat zich in je afspeelt, dat ieder van ons in zich draagt, en dat wij “ik” noemen. Het heeft meer te maken met verwondering en respect dan met verliefd zijn. Het is verwonderd dankbaar zijn voor het geschenk van het leven, voor de uitnodiging er te mogen zijn. Het is blij zijn met het leven waarvan je als individu een manifestatie bent. Het meest liefhebbende dat je voor jezelf kunt doen, is ja-zeggen tegen het leven in jezelf, jezelf toestaan te zijn zoals je bent met de talenten die je gekregen hebt, net zoals liefde voor anderen betekent de anderen aanvaarden zoals ze zijn. Als je jezelf niet kunt aanvaarden, zul je ook anderen niet kunnen aanvaarden. Niet-aanvaarden is de basis van elke agressie, zowel naar jezelf als naar anderen. Liefde voor jezelf betekent het aanvaarden van jezelf, d.i. het onvatbare, wonderlijke wezen dat in jezelf leeft en dat je “ik” noemt. Het is alleen door onze neiging alles (wetenschappelijk) te verklaren en te begrijpen en vooral te beoordelen en te evalueren, dat we niet meer verwonderd zijn. Wat we denken te kennen, wekt geen verwondering meer. Verwondering ontstaat als we begrijpen dat we niet kunnen kennen en alleen maar niet-begrijpend en niet-oordelend aanwezig kunnen zijn…
Toch blijft dit een merkwaardige conceptuele oefening met een in tweeën gesplitst “ik”: een “ik” dat waardeert en een “ik” dat gewaardeerd wordt. Zelfwaardering moet echter meer zijn dan een concept, een zelfbeeld of een dialoog met jezelf. Het moet een manier van in jezelf wonen zijn. Elk idee over jezelf is immers alleen maar een idee dat het “ik” nooit kan vatten. Elk denken over het “ik” is niet het “ik”. Het “ik” is precies de denker die zich op elk ogenblik manifesteert. (Op dit ogenblik is dat de denker die denkt over de denker die denkt over het “ik”.) Het “ik” is geen vaststaande entiteit maar een levende aanwezigheid, een dynamische stroom van ervaringen in elk moment waarop je jezelf toestaat er gewoon te zijn als een niet-oordelend bewustzijn, zonder enig concept (“goedkeuring” of “afkeuring”) over jezelf, als een geïnteresseerde, neutrale getuige van wat er in je geest gebeurt. Door die geestestoestand vriendelijk en mededogend te omarmen, voel je een groter bewustzijn dan die geestestoestand, zoals de zon groter is dan de wolken, zelfs als die de zon verduisteren…
Zelfvertrouwen daarentegen heeft te maken met vertrouwen in de mogelijkheden om dat te doen waarvoor je er gekomen bent, namelijk het leven te leven en op een waardige en verstandige wijze met moeilijkheden om te gaan. Zelfvertrouwen is in de moderne maatschappij een kwestie en een probleem geworden wegens het grote belang dat gehecht wordt aan allerlei prestaties en te bereiken doelstellingen.
In de individualistische hedendaagse samenleving gelooft de mens nog alleen in zichzelf. Er is geen hogere instantie meer die vertrouwen geeft. Er is geen grote hemelse papa meer die alles in orde zal brengen en ook de wetenschap wekt weinig vertrouwen na de vele rampen die de “verlichte” mens over de mensheid heeft gebracht. In onze op prestaties en competitie gerichte samenleving worden vragen als “zelfwaardering”, “van jezelf houden”, “zelfvertrouwen” enz. dan ook als vragen naar persoonlijke eigenschappen en prestaties gezien. Men kan alleen nog in zichzelf geloven. Van de samenleving krijgt men “liefde” en wordt men gewaardeerd als men het even goed of bij voorkeur beter doet dan de anderen. Allerlei idolen worden bejubeld. Vooral mensen met een onvoldoende ontwikkelde zelfwaardering gaan daardoor overmatig belang hechten aan meetellen door “goed presteren”. Zij proberen hun bestaansrecht af te kopen met goede prestaties.
Onze houding tegenover onszelf is een weerspiegeling van onze houding tegenover anderen. In een samenleving waar anderen hard en meedogenloos geoordeeld, veroordeeld en gestraft worden, zullen mensen ook hard en meedogenloos over zichzelf oordelen. Als we anderen niet vertrouwen, zullen we ook onszelf niet vertrouwen. Als we onszelf niet kunnen bevrijden van onze eisen en verwachtingen, zullen we ook anderen niet kunnen bevrijden van onze eisen en verwachtingen.
Dat leidt tot een soort zelftwijfel van de ondermijnende soort die het gevolg is van angst om tekort te schieten of ongeschikt bevonden te worden. Er is een soort angst om betrapt te worden op tekortkomingen waardoor mensen zichzelf juist daardoor een brevet van onvermogen geven. De angst om niet goed genoeg bevonden te worden en om afgewezen te worden is waarschijnlijk de moeder van alle angsten. Het is een angst waar iedereen zal moeten leren mee omgaan om tot een solide basis van emotionele maturiteit te komen. In die zin moet een te veilig en warm nest zelfs als een handicap worden gezien omdat men dan onvoldoende stevigheid heeft verworven en door elk teken van afwijzing door anderen geheel van streek kan raken. Hoewel het fijn zeilen is als het water rustig is en de zon schijnt, brengt dat weinig grote zeilers voort…
Bij zelfvertrouwen gaat het in wezen evenwel helemaal niet om persoonlijke eigenschappen. Zelfvertrouwen is gewoon vertrouwen in het leven dat in ons is. Als wij een trap oplopen, dan weten wij niet hoe wij het doen om de nodige zenuwbanen en spieren aan te sturen. Al wat wij doen is een voornemen maken, een intentie formuleren, en vervolgens vertrouwen wij er gewoon op dat het lichaam onze intentie zal uitvoeren. Het lichaam is de uitvoerende instantie. Als wij spreken, beginnen wij gewoon aan een zin en wij vertrouwen erop dat iets in ons, onze hersenen bijvoorbeeld, de woorden in de juiste volgorde zullen produceren. Net zoals wij een bepaalde auto “vertrouwen” omdat wij de fabrikant vertrouwen, omdat hij van een goed merk is, niet omdat wij hem helemaal onderzocht hebben, zo kunnen wij onszelf vertrouwen, omdat wij de fabrikant kunnen vertrouwen, omdat wij van een goed merk zijn! Namelijk van het merk “mens”. Net zoals wij een auto niet zelf gebouwd hebben, heeft niemand zijn leven, zijn lichaam of zijn mentale vermogens zelf bedacht of gebouwd. Ons lichaam, onze emoties en ons denkvermogen zijn ontwikkeld in een evolutionair proces van research and development dat al vele miljoenen jaren bezig is. De evolutie heeft daarbij heel wat ervaring opgedaan en is redelijk betrouwbaar gebleken. Wij kunnen ze dus redelijk vertrouwen. Ons leven en ons lichaam zijn geschenken van deze evolutie. Het zijn tevens onvermijdelijke partners in de dans van het leven.
Men kan denken aan iemand die op de oceaanbranding surft. Het zogenaamde zelfvertrouwen van de surfer betreft niet alleen hemzelf, maar het hele proces van het surfen. Hij vertrouwt evenzeer op de golf die hem draagt als op zijn lichaam dat zich op de juiste wijze laat dragen. Wij begrijpen niet hoe de zee dat doet. Wij begrijpen ook niet hoe het lichaam dat doet. Wij weten alleen dat we het hele proces kunnen vertrouwen, net zoals wij het lichaam kunnen vertrouwen als het bijv. ademt, de bloedsomloop in stand houdt of een trap oploopt. Wij kunnen vertrouwen op het leven dat in ons is en ons draagt. Speciale gaven zijn niet nodig, vertrouwen in het leven volstaat. Het leven is als een goede moeder die zelfs een angstige, protesterende, huilende en ongelukkige baby liefdevol in de armen sluit.
Het begint er evenwel op te lijken dat men het idee heeft dat men het leven moet kunnen kiezen en inruilen, net zoals men een auto kan kiezen en zo nodig inruilen. Het idee ontstaat dat men “recht heeft” op een even “goed” leven of een even “mooi” lichaam als de buurman, als de anderen.
Daarbij vergeten wij dankbaar te zijn omdat we sowieso een leven hebben, omdat we een lichaam hebben waarmee we kunnen deelnemen aan het leven op deze aarde.
We krijgen geen stempel “goed genoeg” omdat we even goed of beter zijn dan anderen, we zijn “goed genoeg” omdat het leven ons heeft uitgenodigd om er te zijn en om bij te dragen tot het leven. We zijn niet “goed genoeg” vanwege onze persoonlijke prestaties of eigenschappen, maar omdat we deel uitmaken van een groter geheel. Net zoals de cellen in ons lichaam goed genoeg zijn omdat ze hun functie in het grotere geheel vervullen.
Het is merkwaardig dat in landen waar huwelijken gearrangeerd worden, er niet meer echtscheidingen of ongelukkige huwelijken zijn dan in onze landen waar we de vrije keuze hebben. Dat komt omdat er een mentaliteitsverschil is. Wij beoordelen of wat we gekregen hebben wel goed genoeg is en of het wel aan onze wensen en verwachtingen beantwoordt. In andere culturen leert men te waarderen wat men gekregen heeft, wat er is. Daardoor leert men gelukkig te zijn, in plaats van zich af te vragen of wat er is wel gelukkig kan maken.
De gedachte dat wat er is niet goed genoeg is, is de basis van alle ongeluk.
Leren liefhebben wat er is, is de basis van alle geluk.
Op de eerste plaats moet onderscheid gemaakt worden tussen zelfwaardering en zelfvertrouwen.
Zelfwaardering is de erkenning van het recht om te bestaan, om er te zijn. Twijfel aan het recht om te bestaan kan ontstaan bij mensen die als kind niet voldoende ervaren hebben dat het goed was er te zijn omwille van het loutere feit er te zijn. Dit zijn kinderen die vaak beoordeeld (d.i. goedgekeurd of afgekeurd) werden op hun gedrag en hun prestaties. Deze kinderen leren dat liefde voorwaardelijk is en een beloning is van goed gedrag. Iemand die als kind geen zelfwaardering heeft geleerd, kan als volwassene toch nog tot het inzicht en de overtuiging komen dat het recht om te bestaan niet van anderen gekregen kan worden. Men heeft het recht er te zijn, gewoon omdat men geboren is. Men krijgt het recht er te zijn van het leven zelf. Een kind kan dit soort overwegingen niet maken en heeft de ervaring nodig. Een volwassene kan door reflectie alsnog tot deze ervaring komen. Denken dat men niet het recht heeft er te zijn, is immers een gebrek aan inzicht in het leven. Men heeft het recht er te zijn, omdat men er is.
De liefde van ouders is vaak immers van een bedenkelijke en oordelende kwaliteit en geeft vaak een verwrongen beeld van wat liefde is. Weinig mensen hebben heldere ideeën over wat liefde eigenlijk inhoudt. De liefde van andere mensen is vaak zeer voorwaardelijk en weinig betrouwbaar en wij geloven ook niet meer dat er een god is die van ons houdt. Wij lijken dus op niemand te kunnen rekenen om van ons te houden, zodat er ons niets anders rest dan van onszelf te houden. Maar daar hebben wij weinig modellen voor en dat vergt een reflectie waar een kind niet toe in staat is. Een kind kan het gebrek aan liefde alleen begrijpen als een gevolg van het feit dat het zelf niet goed genoeg is en geen liefde waard is.
Van jezelf houden is niet verliefd zijn op jezelf of jezelf bewonderen voor je eigenschappen of kwaliteiten, maar is open staan voor en respect hebben voor het leven dat zich in je afspeelt, dat ieder van ons in zich draagt, en dat wij “ik” noemen. Het heeft meer te maken met verwondering en respect dan met verliefd zijn. Het is verwonderd dankbaar zijn voor het geschenk van het leven, voor de uitnodiging er te mogen zijn. Het is blij zijn met het leven waarvan je als individu een manifestatie bent. Het meest liefhebbende dat je voor jezelf kunt doen, is ja-zeggen tegen het leven in jezelf, jezelf toestaan te zijn zoals je bent met de talenten die je gekregen hebt, net zoals liefde voor anderen betekent de anderen aanvaarden zoals ze zijn. Als je jezelf niet kunt aanvaarden, zul je ook anderen niet kunnen aanvaarden. Niet-aanvaarden is de basis van elke agressie, zowel naar jezelf als naar anderen. Liefde voor jezelf betekent het aanvaarden van jezelf, d.i. het onvatbare, wonderlijke wezen dat in jezelf leeft en dat je “ik” noemt. Het is alleen door onze neiging alles (wetenschappelijk) te verklaren en te begrijpen en vooral te beoordelen en te evalueren, dat we niet meer verwonderd zijn. Wat we denken te kennen, wekt geen verwondering meer. Verwondering ontstaat als we begrijpen dat we niet kunnen kennen en alleen maar niet-begrijpend en niet-oordelend aanwezig kunnen zijn…
Toch blijft dit een merkwaardige conceptuele oefening met een in tweeën gesplitst “ik”: een “ik” dat waardeert en een “ik” dat gewaardeerd wordt. Zelfwaardering moet echter meer zijn dan een concept, een zelfbeeld of een dialoog met jezelf. Het moet een manier van in jezelf wonen zijn. Elk idee over jezelf is immers alleen maar een idee dat het “ik” nooit kan vatten. Elk denken over het “ik” is niet het “ik”. Het “ik” is precies de denker die zich op elk ogenblik manifesteert. (Op dit ogenblik is dat de denker die denkt over de denker die denkt over het “ik”.) Het “ik” is geen vaststaande entiteit maar een levende aanwezigheid, een dynamische stroom van ervaringen in elk moment waarop je jezelf toestaat er gewoon te zijn als een niet-oordelend bewustzijn, zonder enig concept (“goedkeuring” of “afkeuring”) over jezelf, als een geïnteresseerde, neutrale getuige van wat er in je geest gebeurt. Door die geestestoestand vriendelijk en mededogend te omarmen, voel je een groter bewustzijn dan die geestestoestand, zoals de zon groter is dan de wolken, zelfs als die de zon verduisteren…
Zelfvertrouwen daarentegen heeft te maken met vertrouwen in de mogelijkheden om dat te doen waarvoor je er gekomen bent, namelijk het leven te leven en op een waardige en verstandige wijze met moeilijkheden om te gaan. Zelfvertrouwen is in de moderne maatschappij een kwestie en een probleem geworden wegens het grote belang dat gehecht wordt aan allerlei prestaties en te bereiken doelstellingen.
In de individualistische hedendaagse samenleving gelooft de mens nog alleen in zichzelf. Er is geen hogere instantie meer die vertrouwen geeft. Er is geen grote hemelse papa meer die alles in orde zal brengen en ook de wetenschap wekt weinig vertrouwen na de vele rampen die de “verlichte” mens over de mensheid heeft gebracht. In onze op prestaties en competitie gerichte samenleving worden vragen als “zelfwaardering”, “van jezelf houden”, “zelfvertrouwen” enz. dan ook als vragen naar persoonlijke eigenschappen en prestaties gezien. Men kan alleen nog in zichzelf geloven. Van de samenleving krijgt men “liefde” en wordt men gewaardeerd als men het even goed of bij voorkeur beter doet dan de anderen. Allerlei idolen worden bejubeld. Vooral mensen met een onvoldoende ontwikkelde zelfwaardering gaan daardoor overmatig belang hechten aan meetellen door “goed presteren”. Zij proberen hun bestaansrecht af te kopen met goede prestaties.
Onze houding tegenover onszelf is een weerspiegeling van onze houding tegenover anderen. In een samenleving waar anderen hard en meedogenloos geoordeeld, veroordeeld en gestraft worden, zullen mensen ook hard en meedogenloos over zichzelf oordelen. Als we anderen niet vertrouwen, zullen we ook onszelf niet vertrouwen. Als we onszelf niet kunnen bevrijden van onze eisen en verwachtingen, zullen we ook anderen niet kunnen bevrijden van onze eisen en verwachtingen.
Dat leidt tot een soort zelftwijfel van de ondermijnende soort die het gevolg is van angst om tekort te schieten of ongeschikt bevonden te worden. Er is een soort angst om betrapt te worden op tekortkomingen waardoor mensen zichzelf juist daardoor een brevet van onvermogen geven. De angst om niet goed genoeg bevonden te worden en om afgewezen te worden is waarschijnlijk de moeder van alle angsten. Het is een angst waar iedereen zal moeten leren mee omgaan om tot een solide basis van emotionele maturiteit te komen. In die zin moet een te veilig en warm nest zelfs als een handicap worden gezien omdat men dan onvoldoende stevigheid heeft verworven en door elk teken van afwijzing door anderen geheel van streek kan raken. Hoewel het fijn zeilen is als het water rustig is en de zon schijnt, brengt dat weinig grote zeilers voort…
Bij zelfvertrouwen gaat het in wezen evenwel helemaal niet om persoonlijke eigenschappen. Zelfvertrouwen is gewoon vertrouwen in het leven dat in ons is. Als wij een trap oplopen, dan weten wij niet hoe wij het doen om de nodige zenuwbanen en spieren aan te sturen. Al wat wij doen is een voornemen maken, een intentie formuleren, en vervolgens vertrouwen wij er gewoon op dat het lichaam onze intentie zal uitvoeren. Het lichaam is de uitvoerende instantie. Als wij spreken, beginnen wij gewoon aan een zin en wij vertrouwen erop dat iets in ons, onze hersenen bijvoorbeeld, de woorden in de juiste volgorde zullen produceren. Net zoals wij een bepaalde auto “vertrouwen” omdat wij de fabrikant vertrouwen, omdat hij van een goed merk is, niet omdat wij hem helemaal onderzocht hebben, zo kunnen wij onszelf vertrouwen, omdat wij de fabrikant kunnen vertrouwen, omdat wij van een goed merk zijn! Namelijk van het merk “mens”. Net zoals wij een auto niet zelf gebouwd hebben, heeft niemand zijn leven, zijn lichaam of zijn mentale vermogens zelf bedacht of gebouwd. Ons lichaam, onze emoties en ons denkvermogen zijn ontwikkeld in een evolutionair proces van research and development dat al vele miljoenen jaren bezig is. De evolutie heeft daarbij heel wat ervaring opgedaan en is redelijk betrouwbaar gebleken. Wij kunnen ze dus redelijk vertrouwen. Ons leven en ons lichaam zijn geschenken van deze evolutie. Het zijn tevens onvermijdelijke partners in de dans van het leven.
Men kan denken aan iemand die op de oceaanbranding surft. Het zogenaamde zelfvertrouwen van de surfer betreft niet alleen hemzelf, maar het hele proces van het surfen. Hij vertrouwt evenzeer op de golf die hem draagt als op zijn lichaam dat zich op de juiste wijze laat dragen. Wij begrijpen niet hoe de zee dat doet. Wij begrijpen ook niet hoe het lichaam dat doet. Wij weten alleen dat we het hele proces kunnen vertrouwen, net zoals wij het lichaam kunnen vertrouwen als het bijv. ademt, de bloedsomloop in stand houdt of een trap oploopt. Wij kunnen vertrouwen op het leven dat in ons is en ons draagt. Speciale gaven zijn niet nodig, vertrouwen in het leven volstaat. Het leven is als een goede moeder die zelfs een angstige, protesterende, huilende en ongelukkige baby liefdevol in de armen sluit.
Het begint er evenwel op te lijken dat men het idee heeft dat men het leven moet kunnen kiezen en inruilen, net zoals men een auto kan kiezen en zo nodig inruilen. Het idee ontstaat dat men “recht heeft” op een even “goed” leven of een even “mooi” lichaam als de buurman, als de anderen.
Daarbij vergeten wij dankbaar te zijn omdat we sowieso een leven hebben, omdat we een lichaam hebben waarmee we kunnen deelnemen aan het leven op deze aarde.
We krijgen geen stempel “goed genoeg” omdat we even goed of beter zijn dan anderen, we zijn “goed genoeg” omdat het leven ons heeft uitgenodigd om er te zijn en om bij te dragen tot het leven. We zijn niet “goed genoeg” vanwege onze persoonlijke prestaties of eigenschappen, maar omdat we deel uitmaken van een groter geheel. Net zoals de cellen in ons lichaam goed genoeg zijn omdat ze hun functie in het grotere geheel vervullen.
Het is merkwaardig dat in landen waar huwelijken gearrangeerd worden, er niet meer echtscheidingen of ongelukkige huwelijken zijn dan in onze landen waar we de vrije keuze hebben. Dat komt omdat er een mentaliteitsverschil is. Wij beoordelen of wat we gekregen hebben wel goed genoeg is en of het wel aan onze wensen en verwachtingen beantwoordt. In andere culturen leert men te waarderen wat men gekregen heeft, wat er is. Daardoor leert men gelukkig te zijn, in plaats van zich af te vragen of wat er is wel gelukkig kan maken.
De gedachte dat wat er is niet goed genoeg is, is de basis van alle ongeluk.
Leren liefhebben wat er is, is de basis van alle geluk.
maandag 20 april 2009
Hoe kun je nog gelukkig zijn als je kind vermoord is? Dat kun je toch niet aanvaarden? Dan is er toch geen normaal leven meer mogelijk?
We kunnen dat onaanvaardbaar vinden, maar helaas gebeuren onaanvaardbare dingen ook. Ook dat is natuurlijk onaanvaardbaar, maar op die manier komen we dus niet uit de paradox van de onaanvaardbaarheid…
Ik heb ooit een vrouw die ter wereld was gekomen met spina bifida (een zgn open rug) en die dus heel haar leven in een rolstoel moest doorbrengen, horen zeggen: “Het enige verschil tussen normaal leven en leven met een beperktheid, is dat je met een beperktheid heel wat meer over het leven moet nadenken.” Inderdaad. Gelukkig zijn als het leven meezit is geen kunst. De kunst is gelukkig te zijn als het leven of het lot je niet zo gunstig gezind is. Dan is het leven een uitdaging, een test met diverse moeilijkheidsgraden. In de school komt normaal eerst de les en dan komt het examen. In het leven komt vaak eerst het examen en dan komt de les…
Dat wordt geïllustreerd door een bekend Zen-verhaal. Stel dat je met je bootje rustig op een rivier aan het varen bent en dat er plots een ander bootje tegen je opbotst. Het is begrijpelijk dat je dan geïrriteerd en boos zult reageren, tot je merkt dat het andere bootje gewoon leeg is… Dan verdwijnt toch je boosheid? Dan ga je toch niemand aanklagen en bestraffing eisen? Het voorval is nog wel vervelend, maar er is domweg niemand om boos op te worden. Je boosheid verdwijnt dan ook meteen… Je duwt het bootje weg en vaart door met je eigen bootje.
De les en het inzicht is dat de ander vaak als een leeg bootje is. De ander is gewoon dermate opgeslorpt in zijn eigen leven en zijn eigen problemen, dat hij onoplettend tegen jouw bootje is gevaren. Je was gewoon toevallig op die plaats. Met andere woorden: zie het gedrag van de ander als een veruitwendiging van de problemen van die ander en niet als een vijandige aanval op het eigen leven en welzijn.
Stel dat je over straat loopt en een kind komt naar je toe en geeft je een flinke trap die je flink pijn doet. Waarschijnlijk zult u behoorlijk ontstemd zijn, maar gaat u dat kind een even krachtige trap terug geven? Gaat u bestraffing eisen? Als u even nadenkt begrijpt u dat dat kind handelde uit een boosheid die niets met u te maken had. Dat is nu eenmaal wat boze en ongelukkige kinderen doen: zij trappen tegen alles in de buurt, tegen mensen, tegen meubelen. Als u een trap terug zou geven, zou u precies hetzelfde doen en zou u zich evenzeer als een boos kind gedragen. Ofschoon u pijn hebt, zult u het kind dus proberen uit te leggen dat dergelijk gedrag niet kan.
In deze denkwijze kunnen we nog een stapje verder gaan. Stel dat je met je kind rustig in een bos aan het wandelen bent en heel mooie ervaringen hebt. Plots is er een windstoot die een boom doet kraken waardoor die op je kind valt. Je kind is dood. Tegen wie zal je woede zich dan keren? Ga je de wind aanklagen? Ga je de boom aanklagen? De natuur? De kosmos? Wie zal je dan antwoord geven op de vraag “Waarom?” Wie zal er gestraft worden zodat jij “eindelijk aan je rouwproces kunt beginnen”?
De enige bijkomende stap die je nu nog moet maken, is mensen die kwaad doen te leren zien als boze, ongelukkige kinderen die geen andere (en betere) manier kennen om uiting te geven aan hun boosheid en hun ongelukkig zijn.
Vaak is ons lijden het gevolg van het feit dat wij ons domweg op een plaats bevonden waar onbekende, blinde krachten samengekomen zijn en ons getroffen hebben. Waarom maakt het voor uw lijden een verschil uit of de krachten het gevolg waren van de wind of van de psychopathie van een ander mens? Uw lijden is toch in beide gevallen hetzelfde? Beide zijn “onaanvaardbaar”. Waarom is het ene dan toch makkelijker te “aanvaarden” dan het andere?
Als wij “gerechtigheid” en bestraffing eisen, dan doen wij net hetzelfde: wij willen uiting geven aan onze boosheid door een trap terug geven, door te eisen dat de ander bestraft wordt en lijdt. Wij denken dat ons lijden zal verminderen door het lijden van de ander…
(Zie verder de vraag over gevangenisstraffen.)
Maar zo kun je het toch niet zien?
Dat is een keuze. Wij hebben geen keuze in wat ons overkomt, maar wij hebben altijd keuze in hoe wij daar mee omgaan.
In persoonlijke gesprekken en meldingen in de media blijkt echter altijd weer dat vele betrokkenen niet op de eerste plaats bezig zijn met zich weer goed voelen in het leven. Velen willen zelfs niet gelukkig zijn want dat zouden ze onaanvaardbaar en een verraad tegenover hun vermoorde kind vinden.
Zij zoeken daarentegen erkenning en gerechtigheid, zij zoeken genoegdoening en wraak. Zij willen een bestraffing van de dader. Zij voelen zich “gestraft” doordat zij lijden omdat iets hen werd “afgepakt” en zij zoeken een “bestraffing” van de dader. Zij denken dat het lijden van de dader ertoe zal leiden dat zij zich beter zullen kunnen voelen. En als de dader geen in hun ogen voldoende zware straf krijgt, noemen zij zich “dubbel gestraft”. Daarvoor worden vaak fortuinen besteed aan dure advocaten. Dit populaire geloof wordt ook in de media, in verenigingen en in zelfhulpgroepen uitvoerig besproken en toegelicht. Al te weinig wordt beseft dat de betrokkenen met hun haat alleen zichzelf verder pijnigen en vergiftigen. Daar wordt niemand beter van.
Daardoor wordt in feite hetzelfde schema gevolgd als dat van de dader, namelijk slecht voelen leidt tot zinloze agressie in de hoop zich beter te voelen. Zoals een kind dat zich slecht voelt en wild om zich heen trapt in de hoop zich daardoor beter te zullen voelen. Deze hoop blijkt meestal ijdel. Uit vele getuigenissen van betrokkenen en hulpverleners blijkt inderdaad dat dit niet het geval is. Het lijden (de “straf”) van de ander brengt geen vrede in het eigen hart. Het vergif van de haat blijft bestaan en het lijden blijft.
Hoe kun je die moordenaars verstaan?
Mensen proberen altijd gebeurtenissen te “begrijpen”. Dat “begrijpen” is een illusie. We kunnen mensen niet “begrijpen” zoals we machines kunnen begrijpen. Het gedrag van machines kunnen we voorspellen. Het gedrag van mensen kunnen we nooit voorspellen. We vinden dus nooit de “reden” of de “oorzaak” van het gedrag van mensen. Dat kunt u gemakkelijk vaststellen als u over uw eigen gedrag nadenkt. Waarom denkt u dat de uitkomst van de rechtszaak belangrijk is voor uw welzijn? Ook dat kunt u niet verklaren. U gelooft dat omdat u dat gelooft. Ook op die “waarom” vraag is er geen afdoende antwoord.
In een debat na de uitzending “Faites entrer l’accusé” van 24 januari 2010 op de Franse zender France 2 werd een verband gelegd tussen een ongestructureerde jeugd (met materiële, affectieve, intellectuele en/of spirituele armoede, met andere woorden met een tekort aan moederlijke én vaderlijke functie) en delinquent gedrag op latere leeftijd. Met andere woorden: achter elk delinquent gedrag vinden we een mens die lijdt. Een bekend advocaat die aan het debat deelnam, verklaarde dat hij nog nooit een beklaagde had moeten bijstaan waarvoor dat niet het geval was. De omgekeerde redenering gaat evenwel niet op: een ongestructureerde jeugd leidt niet noodzakelijk tot delinquent gedrag. En dat is juist de moeilijkheid: er is geen lineair verband dat altijd waar is. Sommige mensen komen in de delinquentie terecht, andere niet. Daarin ligt juist de vrijheid en dus de onvoorspelbaarheid van de individuele mens. Dat maakt dat op de vraag “waarom” nooit een bevredigend antwoord kan worden gegeven.
Maar is er überhaupt een antwoord denkbaar dat het lijden van de betrokkenen zou kunnen verlichten?
Toch kan niets ons de vrijheid ontnemen om met een hogere wijsheid te reageren. Lao Tse zei: “Behandel goede mensen goed. Behandel niet-goede mensen ook goed. Op die manier komt goedheid tot stand.”
(Zie ook het verhaal van Gary Zukav in de vraag over gevangenisstraffen.)
We kunnen dat onaanvaardbaar vinden, maar helaas gebeuren onaanvaardbare dingen ook. Ook dat is natuurlijk onaanvaardbaar, maar op die manier komen we dus niet uit de paradox van de onaanvaardbaarheid…
Ik heb ooit een vrouw die ter wereld was gekomen met spina bifida (een zgn open rug) en die dus heel haar leven in een rolstoel moest doorbrengen, horen zeggen: “Het enige verschil tussen normaal leven en leven met een beperktheid, is dat je met een beperktheid heel wat meer over het leven moet nadenken.” Inderdaad. Gelukkig zijn als het leven meezit is geen kunst. De kunst is gelukkig te zijn als het leven of het lot je niet zo gunstig gezind is. Dan is het leven een uitdaging, een test met diverse moeilijkheidsgraden. In de school komt normaal eerst de les en dan komt het examen. In het leven komt vaak eerst het examen en dan komt de les…
Dat wordt geïllustreerd door een bekend Zen-verhaal. Stel dat je met je bootje rustig op een rivier aan het varen bent en dat er plots een ander bootje tegen je opbotst. Het is begrijpelijk dat je dan geïrriteerd en boos zult reageren, tot je merkt dat het andere bootje gewoon leeg is… Dan verdwijnt toch je boosheid? Dan ga je toch niemand aanklagen en bestraffing eisen? Het voorval is nog wel vervelend, maar er is domweg niemand om boos op te worden. Je boosheid verdwijnt dan ook meteen… Je duwt het bootje weg en vaart door met je eigen bootje.
De les en het inzicht is dat de ander vaak als een leeg bootje is. De ander is gewoon dermate opgeslorpt in zijn eigen leven en zijn eigen problemen, dat hij onoplettend tegen jouw bootje is gevaren. Je was gewoon toevallig op die plaats. Met andere woorden: zie het gedrag van de ander als een veruitwendiging van de problemen van die ander en niet als een vijandige aanval op het eigen leven en welzijn.
Stel dat je over straat loopt en een kind komt naar je toe en geeft je een flinke trap die je flink pijn doet. Waarschijnlijk zult u behoorlijk ontstemd zijn, maar gaat u dat kind een even krachtige trap terug geven? Gaat u bestraffing eisen? Als u even nadenkt begrijpt u dat dat kind handelde uit een boosheid die niets met u te maken had. Dat is nu eenmaal wat boze en ongelukkige kinderen doen: zij trappen tegen alles in de buurt, tegen mensen, tegen meubelen. Als u een trap terug zou geven, zou u precies hetzelfde doen en zou u zich evenzeer als een boos kind gedragen. Ofschoon u pijn hebt, zult u het kind dus proberen uit te leggen dat dergelijk gedrag niet kan.
In deze denkwijze kunnen we nog een stapje verder gaan. Stel dat je met je kind rustig in een bos aan het wandelen bent en heel mooie ervaringen hebt. Plots is er een windstoot die een boom doet kraken waardoor die op je kind valt. Je kind is dood. Tegen wie zal je woede zich dan keren? Ga je de wind aanklagen? Ga je de boom aanklagen? De natuur? De kosmos? Wie zal je dan antwoord geven op de vraag “Waarom?” Wie zal er gestraft worden zodat jij “eindelijk aan je rouwproces kunt beginnen”?
De enige bijkomende stap die je nu nog moet maken, is mensen die kwaad doen te leren zien als boze, ongelukkige kinderen die geen andere (en betere) manier kennen om uiting te geven aan hun boosheid en hun ongelukkig zijn.
Vaak is ons lijden het gevolg van het feit dat wij ons domweg op een plaats bevonden waar onbekende, blinde krachten samengekomen zijn en ons getroffen hebben. Waarom maakt het voor uw lijden een verschil uit of de krachten het gevolg waren van de wind of van de psychopathie van een ander mens? Uw lijden is toch in beide gevallen hetzelfde? Beide zijn “onaanvaardbaar”. Waarom is het ene dan toch makkelijker te “aanvaarden” dan het andere?
Als wij “gerechtigheid” en bestraffing eisen, dan doen wij net hetzelfde: wij willen uiting geven aan onze boosheid door een trap terug geven, door te eisen dat de ander bestraft wordt en lijdt. Wij denken dat ons lijden zal verminderen door het lijden van de ander…
(Zie verder de vraag over gevangenisstraffen.)
Maar zo kun je het toch niet zien?
Dat is een keuze. Wij hebben geen keuze in wat ons overkomt, maar wij hebben altijd keuze in hoe wij daar mee omgaan.
In persoonlijke gesprekken en meldingen in de media blijkt echter altijd weer dat vele betrokkenen niet op de eerste plaats bezig zijn met zich weer goed voelen in het leven. Velen willen zelfs niet gelukkig zijn want dat zouden ze onaanvaardbaar en een verraad tegenover hun vermoorde kind vinden.
Zij zoeken daarentegen erkenning en gerechtigheid, zij zoeken genoegdoening en wraak. Zij willen een bestraffing van de dader. Zij voelen zich “gestraft” doordat zij lijden omdat iets hen werd “afgepakt” en zij zoeken een “bestraffing” van de dader. Zij denken dat het lijden van de dader ertoe zal leiden dat zij zich beter zullen kunnen voelen. En als de dader geen in hun ogen voldoende zware straf krijgt, noemen zij zich “dubbel gestraft”. Daarvoor worden vaak fortuinen besteed aan dure advocaten. Dit populaire geloof wordt ook in de media, in verenigingen en in zelfhulpgroepen uitvoerig besproken en toegelicht. Al te weinig wordt beseft dat de betrokkenen met hun haat alleen zichzelf verder pijnigen en vergiftigen. Daar wordt niemand beter van.
Daardoor wordt in feite hetzelfde schema gevolgd als dat van de dader, namelijk slecht voelen leidt tot zinloze agressie in de hoop zich beter te voelen. Zoals een kind dat zich slecht voelt en wild om zich heen trapt in de hoop zich daardoor beter te zullen voelen. Deze hoop blijkt meestal ijdel. Uit vele getuigenissen van betrokkenen en hulpverleners blijkt inderdaad dat dit niet het geval is. Het lijden (de “straf”) van de ander brengt geen vrede in het eigen hart. Het vergif van de haat blijft bestaan en het lijden blijft.
Hoe kun je die moordenaars verstaan?
Mensen proberen altijd gebeurtenissen te “begrijpen”. Dat “begrijpen” is een illusie. We kunnen mensen niet “begrijpen” zoals we machines kunnen begrijpen. Het gedrag van machines kunnen we voorspellen. Het gedrag van mensen kunnen we nooit voorspellen. We vinden dus nooit de “reden” of de “oorzaak” van het gedrag van mensen. Dat kunt u gemakkelijk vaststellen als u over uw eigen gedrag nadenkt. Waarom denkt u dat de uitkomst van de rechtszaak belangrijk is voor uw welzijn? Ook dat kunt u niet verklaren. U gelooft dat omdat u dat gelooft. Ook op die “waarom” vraag is er geen afdoende antwoord.
In een debat na de uitzending “Faites entrer l’accusé” van 24 januari 2010 op de Franse zender France 2 werd een verband gelegd tussen een ongestructureerde jeugd (met materiële, affectieve, intellectuele en/of spirituele armoede, met andere woorden met een tekort aan moederlijke én vaderlijke functie) en delinquent gedrag op latere leeftijd. Met andere woorden: achter elk delinquent gedrag vinden we een mens die lijdt. Een bekend advocaat die aan het debat deelnam, verklaarde dat hij nog nooit een beklaagde had moeten bijstaan waarvoor dat niet het geval was. De omgekeerde redenering gaat evenwel niet op: een ongestructureerde jeugd leidt niet noodzakelijk tot delinquent gedrag. En dat is juist de moeilijkheid: er is geen lineair verband dat altijd waar is. Sommige mensen komen in de delinquentie terecht, andere niet. Daarin ligt juist de vrijheid en dus de onvoorspelbaarheid van de individuele mens. Dat maakt dat op de vraag “waarom” nooit een bevredigend antwoord kan worden gegeven.
Maar is er überhaupt een antwoord denkbaar dat het lijden van de betrokkenen zou kunnen verlichten?
Toch kan niets ons de vrijheid ontnemen om met een hogere wijsheid te reageren. Lao Tse zei: “Behandel goede mensen goed. Behandel niet-goede mensen ook goed. Op die manier komt goedheid tot stand.”
(Zie ook het verhaal van Gary Zukav in de vraag over gevangenisstraffen.)
vrijdag 20 maart 2009
Waarom vinden we het zo erg een kind te verliezen en worden we zo weinig geraakt door de dood van zoveel kinderen elke dag in andere delen van de wereld?
Deze (ongemakkelijke) vaststelling leert ons iets belangrijks over het lijden, namelijk dat het lijden niet over de ander gaat maar altijd over onszelf. Er is inderdaad geen enkel aantoonbaar verschil tussen een “eigen” kind dat sterft of een kind in een ver land dat sterft. Het verschil zit niet in die twee kinderen, het verschil zit in onszelf, in het feit dat we het ene kind als “van ons” zijn gaan beschouwen, zodat het verlies als een onrecht en als een bron van lijden wordt ervaren, terwijl het andere kind als “niet van ons” wordt beschouwd, en we het sterven van dat kind dus niet als een onrecht of als een bron van lijden ervaren. Het is overigens opmerkelijk en tekenend dat over “verlies” wordt gesproken. Dat wijst er immers op dat het betrokken kind eerst als een “bezit” werd beschouwd, als een deel van een (affectief) patrimonium dat ons toebehoort. Door het geleden “verlies” zouden we dus armer geworden zijn. Vaak wordt dit ook beargumenteerd door te verwijzen naar een “bloedband” of een emotionele band, alsof dit objectief bestaande entiteiten zouden zijn. Dergelijke “banden” zijn nochtans louter fictief en bestaan alleen voor wie er in gelooft. Het is alleen maar een andere manier om het affectieve patrimonium te benoemen.
Een meer respectvolle manier om naar mensen en dus ook naar kinderen te kijken is dat het niet om bezittingen gaat maar om geschenken. Een geschenk dat we gekregen hebben, blijft immers voor altijd in ons leven en kan een bron van rijkdom en van dankbaarheid blijven, ook als de persoon in kwestie niet langer lichamelijk aanwezig is. We kunnen het nooit meer “verliezen” en het kan ons nooit meer afgenomen worden net zoals we een mooie zomer niet meer kunnen “verliezen”. (zie ook de vraag over verlies)
Voortbouwend op deze gedachtengang kunnen we bij uitbreiding gemakkelijk inzien dat lijden in feite altijd over onszelf gaat, over iets dat ons is aangedaan of iets dat wij verloren zijn. Als we lijden gaat al onze aandacht naar onszelf. We lijden niet om de ander. We lijden om onszelf. Daarom is lijden ook het omgekeerde van liefde, want bij liefde gaat onze aandacht naar de ander. Dat leidt tot mededogen en het verlangen het lijden van de ander te verminderen. Waar liefde is, is geen lijden. Waar lijden is, is geen liefde.
Vanuit een houding van liefde, d.i. van aandacht voor de ander, zal het overlijden van een naastbestaande geen bron van lijden zijn, maar een bron van aandacht voor de ander en van dankbaarheid omdat de ander in ons leven is geweest.
Deze (ongemakkelijke) vaststelling leert ons iets belangrijks over het lijden, namelijk dat het lijden niet over de ander gaat maar altijd over onszelf. Er is inderdaad geen enkel aantoonbaar verschil tussen een “eigen” kind dat sterft of een kind in een ver land dat sterft. Het verschil zit niet in die twee kinderen, het verschil zit in onszelf, in het feit dat we het ene kind als “van ons” zijn gaan beschouwen, zodat het verlies als een onrecht en als een bron van lijden wordt ervaren, terwijl het andere kind als “niet van ons” wordt beschouwd, en we het sterven van dat kind dus niet als een onrecht of als een bron van lijden ervaren. Het is overigens opmerkelijk en tekenend dat over “verlies” wordt gesproken. Dat wijst er immers op dat het betrokken kind eerst als een “bezit” werd beschouwd, als een deel van een (affectief) patrimonium dat ons toebehoort. Door het geleden “verlies” zouden we dus armer geworden zijn. Vaak wordt dit ook beargumenteerd door te verwijzen naar een “bloedband” of een emotionele band, alsof dit objectief bestaande entiteiten zouden zijn. Dergelijke “banden” zijn nochtans louter fictief en bestaan alleen voor wie er in gelooft. Het is alleen maar een andere manier om het affectieve patrimonium te benoemen.
Een meer respectvolle manier om naar mensen en dus ook naar kinderen te kijken is dat het niet om bezittingen gaat maar om geschenken. Een geschenk dat we gekregen hebben, blijft immers voor altijd in ons leven en kan een bron van rijkdom en van dankbaarheid blijven, ook als de persoon in kwestie niet langer lichamelijk aanwezig is. We kunnen het nooit meer “verliezen” en het kan ons nooit meer afgenomen worden net zoals we een mooie zomer niet meer kunnen “verliezen”. (zie ook de vraag over verlies)
Voortbouwend op deze gedachtengang kunnen we bij uitbreiding gemakkelijk inzien dat lijden in feite altijd over onszelf gaat, over iets dat ons is aangedaan of iets dat wij verloren zijn. Als we lijden gaat al onze aandacht naar onszelf. We lijden niet om de ander. We lijden om onszelf. Daarom is lijden ook het omgekeerde van liefde, want bij liefde gaat onze aandacht naar de ander. Dat leidt tot mededogen en het verlangen het lijden van de ander te verminderen. Waar liefde is, is geen lijden. Waar lijden is, is geen liefde.
Vanuit een houding van liefde, d.i. van aandacht voor de ander, zal het overlijden van een naastbestaande geen bron van lijden zijn, maar een bron van aandacht voor de ander en van dankbaarheid omdat de ander in ons leven is geweest.
zondag 15 maart 2009
Maar is dat dan niet egoïstisch?
Het onderscheid tussen egoïsme en altruïsme is een verwarrend onderscheid. Wie iets doet voor anderen, heeft daar immers altijd ook zelf een goed gevoel bij. Voor wie doet hij het dan? En wie iets voor zichzelf doet en daardoor een gelukkiger mens wordt, zal niet kunnen beletten dat ook anderen daar beter van worden. Wie voor jezelf de zon laat schijnen, kan niet beletten dat anderen daar ook warmte van hebben. Voor wie doe je het dan? Anthony de Mello zegt: “Er zijn twee vormen van egoïsme. De eerste is als ik mezelf het genoegen doe om mezelf een genoegen te doen, de tweede als ik mezelf het genoegen doe om anderen een genoegen te doen.” Als je iets goeds doet, ongeacht of het zogenaamd voor jezelf is of zogenaamd voor anderen, doe je dat voor het leven en daar wordt iedereen beter van.
Wat wij egoïsme noemen is in feite een klein bewustzijn, een bewustzijn dat nog niet tot volwassenheid en dus zeker niet tot spiritualiteit gegroeid is. Een klein bewustzijn gaat niet verder dan zichzelf. Een groot bewustzijn omvat ook de anderen. Egoïsme is dus in feite een tekort aan ego, althans aan een volwassen en verantwoordelijk ego. Een volwassen ego begrijpt immers dat wij allemaal deel zijn van het leven en dat wat wij doen altijd gevolgen heeft die iedereen ten goede komen of iedereen schade berokkenen. Een volwassen ego begrijpt dat een geluk in isolatie niet mogelijk is. Wij leven altijd met anderen. Een volwassen ego begrijpt dat het eigen welzijn gekoppeld is aan het welzijn van anderen.
Een klein ego is gekenmerkt door kleine emoties die gaan over het “ik”: angst, woede, jaloersheid, frustratie, verdriet, lijden … Het afleggen van dit kleine ego leidt tot rust en sereniteit, wat in het Boeddhisme “peace of mind” wordt genoemd. Het aannemen van een groter ego leidt tot grotere emoties die gaan over de anderen: dankbaarheid, bewondering, mededogen, mildheid, medeleven, liefde. Dat leidt tot een leven van duurzaam geluk.
Het onderscheid tussen egoïsme en altruïsme is een verwarrend onderscheid. Wie iets doet voor anderen, heeft daar immers altijd ook zelf een goed gevoel bij. Voor wie doet hij het dan? En wie iets voor zichzelf doet en daardoor een gelukkiger mens wordt, zal niet kunnen beletten dat ook anderen daar beter van worden. Wie voor jezelf de zon laat schijnen, kan niet beletten dat anderen daar ook warmte van hebben. Voor wie doe je het dan? Anthony de Mello zegt: “Er zijn twee vormen van egoïsme. De eerste is als ik mezelf het genoegen doe om mezelf een genoegen te doen, de tweede als ik mezelf het genoegen doe om anderen een genoegen te doen.” Als je iets goeds doet, ongeacht of het zogenaamd voor jezelf is of zogenaamd voor anderen, doe je dat voor het leven en daar wordt iedereen beter van.
Wat wij egoïsme noemen is in feite een klein bewustzijn, een bewustzijn dat nog niet tot volwassenheid en dus zeker niet tot spiritualiteit gegroeid is. Een klein bewustzijn gaat niet verder dan zichzelf. Een groot bewustzijn omvat ook de anderen. Egoïsme is dus in feite een tekort aan ego, althans aan een volwassen en verantwoordelijk ego. Een volwassen ego begrijpt immers dat wij allemaal deel zijn van het leven en dat wat wij doen altijd gevolgen heeft die iedereen ten goede komen of iedereen schade berokkenen. Een volwassen ego begrijpt dat een geluk in isolatie niet mogelijk is. Wij leven altijd met anderen. Een volwassen ego begrijpt dat het eigen welzijn gekoppeld is aan het welzijn van anderen.
Een klein ego is gekenmerkt door kleine emoties die gaan over het “ik”: angst, woede, jaloersheid, frustratie, verdriet, lijden … Het afleggen van dit kleine ego leidt tot rust en sereniteit, wat in het Boeddhisme “peace of mind” wordt genoemd. Het aannemen van een groter ego leidt tot grotere emoties die gaan over de anderen: dankbaarheid, bewondering, mededogen, mildheid, medeleven, liefde. Dat leidt tot een leven van duurzaam geluk.
vrijdag 20 februari 2009
Ik kan toch onmogelijk gelukkig zijn als ik zoveel verloren ben?
Je bent niets verloren. “Verlies” is een mentale representatie. Er valt niets te verliezen. Het concept “verlies” veronderstelt dat er een “bezit” was. Er was ook geen bezit. Bezit is een verhaal, een interne representatie waarin de gedachte “ik” gekoppeld is aan de gedachte aan “iets”. (Tolle) Dat verhaal is het enige wat je kan verliezen. Je kan alleen maar de illusie verliezen dat je iets bezat. In werkelijkheid heb je nooit iets in de buitenwereld bezeten. Je hebt het alleen mogen bekijken. Je bent er mogen bij zijn. Je hebt er je mogen in verheugen. Je hebt het mogen gebruiken. Wat je kan verliezen heb je niet echt bezeten en wat je echt bezit kan je niet verliezen. Je bent naakt en zonder enig bezit ter wereld gekomen en alles wat je “hebt”, zijn geschenken, geen bezittingen: je lichaam, je opvoeding, je ouders, je kennis en je inzichten, al je “bezittingen”, je sociale relaties, je kinderen, al wie je kent. Af en toe verdwijnt er ook weer iets uit je leven van het vele dat je gekregen hebt. Dat is alles. De enige houding die van een volwassen bewustzijn getuigt, is dan ook dankbaarheid. Ook als een bepaald geschenk op een bepaald moment ophoudt er te zijn, kan je nog altijd dankbaar zijn omdat je het gekregen hebt. Het was immers geen recht. Als je een mooie reis gemaakt hebt, zeg je daarna toch niet dat je je reis verloren bent en dat je leven nu leeg is? En na een goed gesprek zeg je toch niet dat je dat gesprek nu kwijt bent? Je bent toch dankbaar om wat er in je leven gekomen is en wat dat je aan wijsheid bijgebracht heeft? Je bent toch blij met de blijvende mooie herinnering?
We zijn niet vaak dankbaar meer omdat we alles als een vanzelfsprekend recht zijn gaan beschouwen, en voor een recht hoef je niet dankbaar te zijn, dat is gewoon een recht. Het is iets wat je “nodig” hebt en wat men je gewoon “moet” geven. Zo zijn we ook de mensen en de relaties in ons leven als een recht gaan beschouwen, als een eigendom dat je kunt verliezen. En als je verliest, heb je het recht om je slachtoffer te noemen en kwaad te zijn.
Deze kromme manier van denken is oorzaak van heel wat negativiteit en lijden in het dagdagelijkse leven.
Volwassen worden is gewoon ervan bewust worden dat al die feitelijkheden en gebeurtenissen geen recht zijn en niet “nodig” zijn. Ze zijn aangenaam en het is goed ervan te genieten als ze er zijn, maar ze zijn niet “nodig” om te kunnen deelnemen aan het proces van het leven en om je te kunnen verwonderen over de mysterieuze schoonheid ervan.
Je bent niets verloren. “Verlies” is een mentale representatie. Er valt niets te verliezen. Het concept “verlies” veronderstelt dat er een “bezit” was. Er was ook geen bezit. Bezit is een verhaal, een interne representatie waarin de gedachte “ik” gekoppeld is aan de gedachte aan “iets”. (Tolle) Dat verhaal is het enige wat je kan verliezen. Je kan alleen maar de illusie verliezen dat je iets bezat. In werkelijkheid heb je nooit iets in de buitenwereld bezeten. Je hebt het alleen mogen bekijken. Je bent er mogen bij zijn. Je hebt er je mogen in verheugen. Je hebt het mogen gebruiken. Wat je kan verliezen heb je niet echt bezeten en wat je echt bezit kan je niet verliezen. Je bent naakt en zonder enig bezit ter wereld gekomen en alles wat je “hebt”, zijn geschenken, geen bezittingen: je lichaam, je opvoeding, je ouders, je kennis en je inzichten, al je “bezittingen”, je sociale relaties, je kinderen, al wie je kent. Af en toe verdwijnt er ook weer iets uit je leven van het vele dat je gekregen hebt. Dat is alles. De enige houding die van een volwassen bewustzijn getuigt, is dan ook dankbaarheid. Ook als een bepaald geschenk op een bepaald moment ophoudt er te zijn, kan je nog altijd dankbaar zijn omdat je het gekregen hebt. Het was immers geen recht. Als je een mooie reis gemaakt hebt, zeg je daarna toch niet dat je je reis verloren bent en dat je leven nu leeg is? En na een goed gesprek zeg je toch niet dat je dat gesprek nu kwijt bent? Je bent toch dankbaar om wat er in je leven gekomen is en wat dat je aan wijsheid bijgebracht heeft? Je bent toch blij met de blijvende mooie herinnering?
We zijn niet vaak dankbaar meer omdat we alles als een vanzelfsprekend recht zijn gaan beschouwen, en voor een recht hoef je niet dankbaar te zijn, dat is gewoon een recht. Het is iets wat je “nodig” hebt en wat men je gewoon “moet” geven. Zo zijn we ook de mensen en de relaties in ons leven als een recht gaan beschouwen, als een eigendom dat je kunt verliezen. En als je verliest, heb je het recht om je slachtoffer te noemen en kwaad te zijn.
Deze kromme manier van denken is oorzaak van heel wat negativiteit en lijden in het dagdagelijkse leven.
Volwassen worden is gewoon ervan bewust worden dat al die feitelijkheden en gebeurtenissen geen recht zijn en niet “nodig” zijn. Ze zijn aangenaam en het is goed ervan te genieten als ze er zijn, maar ze zijn niet “nodig” om te kunnen deelnemen aan het proces van het leven en om je te kunnen verwonderen over de mysterieuze schoonheid ervan.
donderdag 15 januari 2009
Ik ben mijn zoon van 20 verloren na een vreselijke ziekte. Het is toch normaal dat ik daaronder lijd?
Elke ervaring heeft een interne structuur, ook het lijden. Het zijn niet de gebeurtenissen die ons doen lijden, maar onze interne representatie (d.i. woorden, beelden) van de gebeurtenissen, meer bepaald het verschil tussen onze interne voorstelling van hoe de realiteit zou moeten zijn en de externe realiteit die is wat ze is. Iedereen heeft min of meer vaststaande ideeën of beelden over hoe de realiteit zich hoort te gedragen en wat al dan niet mag gebeuren. Mensen kunnen maar moeilijk van die ideeën of beelden afstappen.
Maar de realiteit is altijd veranderlijk. Lijden is precies het vasthouden aan een rigide interne voorstelling en het weigeren de verandering in de externe realiteit te aanvaarden. Het is het gevecht met de realiteit. Het is weigeren de realiteit te bewonen zoals ze is. Sommige aspecten van de realiteit zijn inderdaad beïnvloedbaar, maar als je in een gevecht met een onontkoombare realiteit verwikkeld bent, is het niet moeilijk te zien wie zal winnen. Aan het leven van je zoon is op een bepaald ogenblik een einde gekomen. Dat is de feitelijkheid, de onontkoombare realiteit. Van die feitelijkheid maak je op een bepaalde manier, met woorden en met beelden, een interne voorstelling, een representatie. Dat gebeurt doorgaans op een spontane manier, met de woorden en de beelden die in de samenleving waarin je leeft gangbaar zijn en normaal lijken. Het lijden is precies het verzet tegen de realiteit dat in die zelfgecreëerde voorstelling tot uiting komt. Je maakt als het ware een afbeelding die je verzet tegen de realiteit symboliseert. Dat verzet is precies je lijden. Dat komt bijv. tot uiting in het gebruik van het woord “verlies”. Als je een feitelijkheid als een “verlies” voorstelt, is het normaal dat je daar verzet tegen ervaart. Niemand wil immers iets verliezen. Je blijft je niet-aanvaarden voeden met gedachten als “dat kan toch niet, dat is toch niet juist dat mij dat moet overkomen, dat is toch niet rechtvaardig, dat is toch onaanvaardbaar.” Je kunt met andere woorden je zoon als het ware geen toestemming geven om dood te zijn. Je noemt dit een “verlies” en je verzet je tegen het leven dat je dit “aandoet”.
Je kan dat normaal noemen, en dat is het ook in de zin dat het veel voorkomt. Maar het is niet het beste wat je kunt doen. In feite zeg je “Neen, dit kan niet!” tegen het leven en de ervaring van dat “Neen” is je lijden. Het is begrijpelijk dat je begint met “Neen” te ervaren. Het verwerkingsproces is precies het omzetten van dat “Neen, dit kan niet!” in een “Ik aanvaard dit, ik kan ermee leven”. Het rouwproces is het aanvaarden van de realiteit en het ophouden te pogen je interne realiteit aan de externe realiteit op te leggen. Het is de beslissing de wereld te bewonen zoals ze voortaan zal zijn. Dat betekent niet dat je wat gebeurd is goed of wenselijk moet vinden of dat je er vrolijk om moet zijn. Het betekent alleen dat je een andere interne representatie kiest, waarin je erkent dat het gebeuren weliswaar onbegrijpelijk is, maar dat het leven altijd onbegrijpelijk blijft en dat je beslist dat te aanvaarden en op een waardige wijze verder te leven. Hoe lang je verwerkingsproces zal duren, hangt alleen maar af van je niveau van bewustzijn en van hoezeer je daar mentaal vooraf al had over nagedacht, met andere woorden welke denkinstrumenten en representatiemogelijkheden je ter beschikking hebt. Het probleem is dat men in onze cultuur van genietingen en amusement daar juist zo weinig mogelijk over nadenkt. Als een bepaalde gebeurtenis zich dan toch voordoet, reageert men getraumatiseerd en is men nauwelijks in staat tot redelijk denken. Dan valt men al gauw in een slachtofferrol en in allerlei vormen van archaïsch en magisch/mythisch denken.
Maar er is toch het verdriet, het gemis?
“Verdriet” en “gemis” zijn geen feitelijkheden maar zijn mentale voorstellingen. Er is verdriet en gemis zolang je een voorstelling hebt waarin je tekort gedaan bent. Spreken over verlies en gemis is een manier om het leven te verwijten dat je onrecht is aangedaan. In feite zeg je dat die mens niet mocht sterven omdat je hem nog nodig had. Je gaat er dus van uit dat mensen alleen maar mogen sterven als jij beslist hebt dat ze mogen gaan omdat je ze niet meer nodig hebt…
Je zoon was niet je bezit. Je zoon was geen recht. Je zoon was niet vanzelfsprekend. Je zoon was een geschenk en een ervaring. Je kan dankbaarheid cultiveren voor dat niet-vanzelfsprekende geschenk, ook al is dat geschenk nu niet meer fysiek in je leven. Dat is een andere voorstelling, die je in staat stelt met meer liefde te reageren. Liefde is immers aandacht voor de ander. Zolang je bezig bent met je eigen gevoelens van pijn en tekort gedaan zijn, kun je er niet zijn voor de ander en kun je de ander geen liefde geven omdat je bezig bent met jezelf. Je kan de overledenen evenwel niet eren met het lijden van de levenden. Pas als je ophoudt met zelfbeklag, kun je liefde en aandacht geven aan de ander, ook als die ander overleden is, en kun je dankbaar zijn dat je die persoon hebt mogen kennen en dat hij of zij goede dingen in je leven heeft gebracht. Dat is het einde van het verdriet.
Maar ik kan toch niet aanvaarden dat zo een jongen moet sterven?
Het is een mythe te denken dat wij de keuze zouden hebben om gebeurtenissen te aanvaarden of niet te aanvaarden. Zij doen zich gewoon voor en in werkelijkheid aanvaarden we gebeurtenissen dus altijd. We kunnen gewoon niet anders. Als je redelijk bent kun je begrijpen dat wij geen keuze hebben om wat zich in de wereld voordoet al dan niet te aanvaarden. We hebben alleen keuze in hoe we de gebeurtenissen zullen aanvaarden: op een volwassen manier, met elegantie en waardigheid, of op een manier die lijden in stand houdt door koppig te blijven beweren dat we de gebeurtenissen niet kunnen aanvaarden. We hebben keuze in welke mentale voorstelling we daarvan gaan maken. We kunnen een voorstelling maken die een ervaring van afwijzing en van verzet in ons bewustzijn onderhoudt. Op die manier onderhouden we ook het lijden want lijden is alleen een toestand van in onmin leven met een voorstelling van de werkelijkheid. We kunnen gebeurtenissen ook op een volwassen wijze aanvaarden, ook al kunnen we ze niet begrijpen. We kunnen op een redelijke wijze begrijpen dat we het leven niet kunnen begrijpen. Ook dat is het mysterie van het leven. We kunnen dat meer liefdevol benaderen. Liefde is immers precies het aanvaarden van wat er is, ook - en vooral - als we dat niet kunnen begrijpen.
Maar mijn hele wezen, mijn lichaam verzet zich daartegen!
Dat verzet is begrijpelijk. En toch kun je leren heel bewust, heel langzaam en heel aandachtig “ja” te zeggen in jezelf: “Ja, ik kan dit aanvaarden. Ja, ik wil dit aanvaarden. Ja, ik aanvaard dit.” Dan zal je merken dat je lijden langzaam afneemt en dat er vrede en liefde voor in de plaats komt.
Het verzet dat je in je lichaam voelt, is niet het verzet van je lichaam. Het lichaam is gewoon de plaats waar je je eigen verzet voelt. Het lichaam is geen instantie die los van jou staat en eigen intenties of gevoelens zou hebben. Het zijn jouw intenties en gevoelens die je in je lichaam voelt.
Maar als ik niet zou lijden, dan zou dat toch betekenen dat ik niet om mijn zoon gegeven heb?
Ook dat is één van de vele mythen in onze samenleving die het lijden in stand houden. Mythen zijn verhalen die in de meeste gevallen niet weerstaan aan een redelijk onderzoek. Ook deze mythe is een structuur die oorzaak is van lijden. Zij zegt dat hoe meer lijden je ervaart, hoe meer je om de ander hebt gegeven. Dat maakt dat vele mensen zich gewoon niet toestaan om zich beter te voelen. Het is dus niet omdat ze zich niet beter kunnen voelen, maar omdat ze zich niet toestaan zich beter te voelen. Ze zouden zich als het ware slecht voelen als ze zich beter zouden voelen!
Om tot een redelijker houding te komen, kun je de vraag stellen: “Is het wel waar dat mijn lijden met liefde te maken heeft?” Je kan je afvragen hoe je bent als je gelooft dat het waar is en hoe je zou zijn als je dat niet meer zou geloven. En je kan je dan verder afvragen of je een goede reden hebt om te blijven geloven dat het waar is…
In feite kun je redelijk inzien dat lijden niets met liefde te maken heeft maar alleen maar over jezelf gaat. Verdriet is zelfbeklag om iets wat er niet meer is, om wat je niet meer “hebt”. Dat gaat over jezelf. Op die manier kan je de overledene niet eren. Als je de overledene wil eren en je liefde wil geven, kan je de overledene dankbaar zijn om het mooie en het goede dat hij of zij in je leven heeft gebracht. Dan gaat het over de ander.
Je moet dan wel de volwassenheid hebben om ook te kunnen omgaan met het oordeel van anderen die snel zullen oordelen dat je ongevoelig bent of dat je geen liefde had. Maar dat is een ander probleem.
Wordt je dan niet ongevoelig en onverschillig?
Dat is inderdaad wat vele anderen zullen zeggen en er is natuurlijk ook onze vrees om ongevoelig en onverschillig over te komen. Maar dan verwart men gevoeligheid met gevoelerigheid. Je emoties op sleeptouw laten nemen door de gebeurtenissen is geen gevoeligheid maar is gevoelerigheid. Echte gevoeligheid heeft veel meer met liefde te maken en is aandacht voor de ander in plaats van voor het eigen idee van gemis. Gevoelerigheid komt van het ego dat altijd bang is om tekort te hebben. Echte gevoeligheid en liefde komen uit een groter bewustzijn, een bewustzijn van overvloed van waaruit je aandacht en liefde aan de ander kunt geven, ook aan mensen en gebeurtenissen die niet onmiddellijk aangenaam of plezierig zijn. Liefde leidt immers niet tot ongevoeligheid en onverschilligheid, maar juist tot gevoeligheid en het verlangen goed te doen voor de ander …
Maar er is toch het rouwproces? Er is toch de verliesverwerking?
Verdriet is de weigering de wereld te bewonen zoals hij na een bepaalde belangrijke verandering geworden is. Het rouwproces en de verliesverwerking bestaan er juist uit het verzet op te geven en de wereld zoals hij nu is te leren aanvaarden. Ieder doet dat op zijn manier en neemt daarvoor de tijd die hij nodig heeft. Het indelen van deze emotionele respons in rigide categorieën – kwaadheid, ontkenning, onderhandelen, depressie, aanvaarding – is echter een negativistische en deshumaniserende benadering die de indruk wekt dat men zich aan een onontkoombaar en onpersoonlijk “proces” dient te onderwerpen. De tijd die iemand nodig heeft, zal immers niet bepaald worden door een onpersoonlijk proces maar door de mate van bewustwording die al eerder gebeurd was. Alleen als men nog in de illusie leefde dat alles voor eeuwig verworven was en dat niets ooit zou veranderen, zal elke verandering als een verlies ervaren worden.
Een interessant concept is het idee van vóór-rouwen. Dat bestaat eruit zich bewust en concreet te realiseren dat al wat er nu is: bezittingen, sociale status, naastbestaanden, ouders, geliefden, gezondheid, het eigen leven… er ooit niet meer zal zijn.
Bij mensen die de dood in de ogen gekeken hebben, bijv. door een ziekte of een ongeval, krijgt het leven plots een heel andere betekenis. Zij onderscheiden plots duidelijk het wezenlijke van het onbelangrijke. Zij beseffen dat zij willen leven en dat alleen het leven werkelijk belangrijk is. Op dezelfde wijze kan deze gedachteoefening in wijsheid en aandachtig zijn bijdragen tot het intensiveren van het gevoel van dankbaarheid om wat er nu is en tevens voorbereiden op de ervaring van dingen en personen die op elk ogenblik uit ons leven kunnen verdwijnen.
Het probleem is dat deze oefening door de meeste mensen niet wordt gemaakt, omdat dit als “zwarte gedachten” wordt bestempeld, die men onder het motto van “zelfzorg” maar best zo snel mogelijk kan vergeten door aan andere dingen te denken of méér “leuke dingen” te gaan doen. Sommige professionelen aarzelen niet hierin een teken van “depressie” te zien en stellen zelfs voor om de “zwarte gedachten” desnoods met medicatie te verdrijven.
Het is alsof u tijdens het rijden met de wagen een verdacht geluid uit de motor zou opmerken en uw garagist u zou voorstellen om de autoradio dan maar wat luider te zetten of dopjes in uw oren te stoppen om het verdachte geluid niet meer te horen.
Het gevolg is dat mensen in de illusie blijven leven dat alles altijd zal blijven zoals het was en onvoorbereid en geheel uit het lood geslagen zijn als dergelijke veranderingen, “trauma’s genaamd”, zich dan toch voordoen. Het “rouwproces” en de “rouwarbeid” die dan noodzakelijk is, is in feite niets meer dan de bewustwording die niet eerder werd gedaan.
De rouwarbeid bestaat er niet uit te proberen “het trauma te vergeten” of te wachten tot “de tijd zijn werk heeft gedaan”, maar uit het bewust en actief omgaan met de gebeurtenissen, met wijsheid en sereniteit. Men is daarmee klaar als men zonder lijden aan het gebeuren kan denken. In het geval van een overlijden, betekent dit dat men met liefde en dankbaarheid aan de overledene leert denken in plaats van met lijden. Lijden richt de aandacht op de eigen persoon. Liefde richt de aandacht op de ander. In de mate dat er liefde is, is er geen lijden. In de mate dat er lijden is, is er geen liefde.
Elke ervaring heeft een interne structuur, ook het lijden. Het zijn niet de gebeurtenissen die ons doen lijden, maar onze interne representatie (d.i. woorden, beelden) van de gebeurtenissen, meer bepaald het verschil tussen onze interne voorstelling van hoe de realiteit zou moeten zijn en de externe realiteit die is wat ze is. Iedereen heeft min of meer vaststaande ideeën of beelden over hoe de realiteit zich hoort te gedragen en wat al dan niet mag gebeuren. Mensen kunnen maar moeilijk van die ideeën of beelden afstappen.
Maar de realiteit is altijd veranderlijk. Lijden is precies het vasthouden aan een rigide interne voorstelling en het weigeren de verandering in de externe realiteit te aanvaarden. Het is het gevecht met de realiteit. Het is weigeren de realiteit te bewonen zoals ze is. Sommige aspecten van de realiteit zijn inderdaad beïnvloedbaar, maar als je in een gevecht met een onontkoombare realiteit verwikkeld bent, is het niet moeilijk te zien wie zal winnen. Aan het leven van je zoon is op een bepaald ogenblik een einde gekomen. Dat is de feitelijkheid, de onontkoombare realiteit. Van die feitelijkheid maak je op een bepaalde manier, met woorden en met beelden, een interne voorstelling, een representatie. Dat gebeurt doorgaans op een spontane manier, met de woorden en de beelden die in de samenleving waarin je leeft gangbaar zijn en normaal lijken. Het lijden is precies het verzet tegen de realiteit dat in die zelfgecreëerde voorstelling tot uiting komt. Je maakt als het ware een afbeelding die je verzet tegen de realiteit symboliseert. Dat verzet is precies je lijden. Dat komt bijv. tot uiting in het gebruik van het woord “verlies”. Als je een feitelijkheid als een “verlies” voorstelt, is het normaal dat je daar verzet tegen ervaart. Niemand wil immers iets verliezen. Je blijft je niet-aanvaarden voeden met gedachten als “dat kan toch niet, dat is toch niet juist dat mij dat moet overkomen, dat is toch niet rechtvaardig, dat is toch onaanvaardbaar.” Je kunt met andere woorden je zoon als het ware geen toestemming geven om dood te zijn. Je noemt dit een “verlies” en je verzet je tegen het leven dat je dit “aandoet”.
Je kan dat normaal noemen, en dat is het ook in de zin dat het veel voorkomt. Maar het is niet het beste wat je kunt doen. In feite zeg je “Neen, dit kan niet!” tegen het leven en de ervaring van dat “Neen” is je lijden. Het is begrijpelijk dat je begint met “Neen” te ervaren. Het verwerkingsproces is precies het omzetten van dat “Neen, dit kan niet!” in een “Ik aanvaard dit, ik kan ermee leven”. Het rouwproces is het aanvaarden van de realiteit en het ophouden te pogen je interne realiteit aan de externe realiteit op te leggen. Het is de beslissing de wereld te bewonen zoals ze voortaan zal zijn. Dat betekent niet dat je wat gebeurd is goed of wenselijk moet vinden of dat je er vrolijk om moet zijn. Het betekent alleen dat je een andere interne representatie kiest, waarin je erkent dat het gebeuren weliswaar onbegrijpelijk is, maar dat het leven altijd onbegrijpelijk blijft en dat je beslist dat te aanvaarden en op een waardige wijze verder te leven. Hoe lang je verwerkingsproces zal duren, hangt alleen maar af van je niveau van bewustzijn en van hoezeer je daar mentaal vooraf al had over nagedacht, met andere woorden welke denkinstrumenten en representatiemogelijkheden je ter beschikking hebt. Het probleem is dat men in onze cultuur van genietingen en amusement daar juist zo weinig mogelijk over nadenkt. Als een bepaalde gebeurtenis zich dan toch voordoet, reageert men getraumatiseerd en is men nauwelijks in staat tot redelijk denken. Dan valt men al gauw in een slachtofferrol en in allerlei vormen van archaïsch en magisch/mythisch denken.
Maar er is toch het verdriet, het gemis?
“Verdriet” en “gemis” zijn geen feitelijkheden maar zijn mentale voorstellingen. Er is verdriet en gemis zolang je een voorstelling hebt waarin je tekort gedaan bent. Spreken over verlies en gemis is een manier om het leven te verwijten dat je onrecht is aangedaan. In feite zeg je dat die mens niet mocht sterven omdat je hem nog nodig had. Je gaat er dus van uit dat mensen alleen maar mogen sterven als jij beslist hebt dat ze mogen gaan omdat je ze niet meer nodig hebt…
Je zoon was niet je bezit. Je zoon was geen recht. Je zoon was niet vanzelfsprekend. Je zoon was een geschenk en een ervaring. Je kan dankbaarheid cultiveren voor dat niet-vanzelfsprekende geschenk, ook al is dat geschenk nu niet meer fysiek in je leven. Dat is een andere voorstelling, die je in staat stelt met meer liefde te reageren. Liefde is immers aandacht voor de ander. Zolang je bezig bent met je eigen gevoelens van pijn en tekort gedaan zijn, kun je er niet zijn voor de ander en kun je de ander geen liefde geven omdat je bezig bent met jezelf. Je kan de overledenen evenwel niet eren met het lijden van de levenden. Pas als je ophoudt met zelfbeklag, kun je liefde en aandacht geven aan de ander, ook als die ander overleden is, en kun je dankbaar zijn dat je die persoon hebt mogen kennen en dat hij of zij goede dingen in je leven heeft gebracht. Dat is het einde van het verdriet.
Maar ik kan toch niet aanvaarden dat zo een jongen moet sterven?
Het is een mythe te denken dat wij de keuze zouden hebben om gebeurtenissen te aanvaarden of niet te aanvaarden. Zij doen zich gewoon voor en in werkelijkheid aanvaarden we gebeurtenissen dus altijd. We kunnen gewoon niet anders. Als je redelijk bent kun je begrijpen dat wij geen keuze hebben om wat zich in de wereld voordoet al dan niet te aanvaarden. We hebben alleen keuze in hoe we de gebeurtenissen zullen aanvaarden: op een volwassen manier, met elegantie en waardigheid, of op een manier die lijden in stand houdt door koppig te blijven beweren dat we de gebeurtenissen niet kunnen aanvaarden. We hebben keuze in welke mentale voorstelling we daarvan gaan maken. We kunnen een voorstelling maken die een ervaring van afwijzing en van verzet in ons bewustzijn onderhoudt. Op die manier onderhouden we ook het lijden want lijden is alleen een toestand van in onmin leven met een voorstelling van de werkelijkheid. We kunnen gebeurtenissen ook op een volwassen wijze aanvaarden, ook al kunnen we ze niet begrijpen. We kunnen op een redelijke wijze begrijpen dat we het leven niet kunnen begrijpen. Ook dat is het mysterie van het leven. We kunnen dat meer liefdevol benaderen. Liefde is immers precies het aanvaarden van wat er is, ook - en vooral - als we dat niet kunnen begrijpen.
Maar mijn hele wezen, mijn lichaam verzet zich daartegen!
Dat verzet is begrijpelijk. En toch kun je leren heel bewust, heel langzaam en heel aandachtig “ja” te zeggen in jezelf: “Ja, ik kan dit aanvaarden. Ja, ik wil dit aanvaarden. Ja, ik aanvaard dit.” Dan zal je merken dat je lijden langzaam afneemt en dat er vrede en liefde voor in de plaats komt.
Het verzet dat je in je lichaam voelt, is niet het verzet van je lichaam. Het lichaam is gewoon de plaats waar je je eigen verzet voelt. Het lichaam is geen instantie die los van jou staat en eigen intenties of gevoelens zou hebben. Het zijn jouw intenties en gevoelens die je in je lichaam voelt.
Maar als ik niet zou lijden, dan zou dat toch betekenen dat ik niet om mijn zoon gegeven heb?
Ook dat is één van de vele mythen in onze samenleving die het lijden in stand houden. Mythen zijn verhalen die in de meeste gevallen niet weerstaan aan een redelijk onderzoek. Ook deze mythe is een structuur die oorzaak is van lijden. Zij zegt dat hoe meer lijden je ervaart, hoe meer je om de ander hebt gegeven. Dat maakt dat vele mensen zich gewoon niet toestaan om zich beter te voelen. Het is dus niet omdat ze zich niet beter kunnen voelen, maar omdat ze zich niet toestaan zich beter te voelen. Ze zouden zich als het ware slecht voelen als ze zich beter zouden voelen!
Om tot een redelijker houding te komen, kun je de vraag stellen: “Is het wel waar dat mijn lijden met liefde te maken heeft?” Je kan je afvragen hoe je bent als je gelooft dat het waar is en hoe je zou zijn als je dat niet meer zou geloven. En je kan je dan verder afvragen of je een goede reden hebt om te blijven geloven dat het waar is…
In feite kun je redelijk inzien dat lijden niets met liefde te maken heeft maar alleen maar over jezelf gaat. Verdriet is zelfbeklag om iets wat er niet meer is, om wat je niet meer “hebt”. Dat gaat over jezelf. Op die manier kan je de overledene niet eren. Als je de overledene wil eren en je liefde wil geven, kan je de overledene dankbaar zijn om het mooie en het goede dat hij of zij in je leven heeft gebracht. Dan gaat het over de ander.
Je moet dan wel de volwassenheid hebben om ook te kunnen omgaan met het oordeel van anderen die snel zullen oordelen dat je ongevoelig bent of dat je geen liefde had. Maar dat is een ander probleem.
Wordt je dan niet ongevoelig en onverschillig?
Dat is inderdaad wat vele anderen zullen zeggen en er is natuurlijk ook onze vrees om ongevoelig en onverschillig over te komen. Maar dan verwart men gevoeligheid met gevoelerigheid. Je emoties op sleeptouw laten nemen door de gebeurtenissen is geen gevoeligheid maar is gevoelerigheid. Echte gevoeligheid heeft veel meer met liefde te maken en is aandacht voor de ander in plaats van voor het eigen idee van gemis. Gevoelerigheid komt van het ego dat altijd bang is om tekort te hebben. Echte gevoeligheid en liefde komen uit een groter bewustzijn, een bewustzijn van overvloed van waaruit je aandacht en liefde aan de ander kunt geven, ook aan mensen en gebeurtenissen die niet onmiddellijk aangenaam of plezierig zijn. Liefde leidt immers niet tot ongevoeligheid en onverschilligheid, maar juist tot gevoeligheid en het verlangen goed te doen voor de ander …
Maar er is toch het rouwproces? Er is toch de verliesverwerking?
Verdriet is de weigering de wereld te bewonen zoals hij na een bepaalde belangrijke verandering geworden is. Het rouwproces en de verliesverwerking bestaan er juist uit het verzet op te geven en de wereld zoals hij nu is te leren aanvaarden. Ieder doet dat op zijn manier en neemt daarvoor de tijd die hij nodig heeft. Het indelen van deze emotionele respons in rigide categorieën – kwaadheid, ontkenning, onderhandelen, depressie, aanvaarding – is echter een negativistische en deshumaniserende benadering die de indruk wekt dat men zich aan een onontkoombaar en onpersoonlijk “proces” dient te onderwerpen. De tijd die iemand nodig heeft, zal immers niet bepaald worden door een onpersoonlijk proces maar door de mate van bewustwording die al eerder gebeurd was. Alleen als men nog in de illusie leefde dat alles voor eeuwig verworven was en dat niets ooit zou veranderen, zal elke verandering als een verlies ervaren worden.
Een interessant concept is het idee van vóór-rouwen. Dat bestaat eruit zich bewust en concreet te realiseren dat al wat er nu is: bezittingen, sociale status, naastbestaanden, ouders, geliefden, gezondheid, het eigen leven… er ooit niet meer zal zijn.
Bij mensen die de dood in de ogen gekeken hebben, bijv. door een ziekte of een ongeval, krijgt het leven plots een heel andere betekenis. Zij onderscheiden plots duidelijk het wezenlijke van het onbelangrijke. Zij beseffen dat zij willen leven en dat alleen het leven werkelijk belangrijk is. Op dezelfde wijze kan deze gedachteoefening in wijsheid en aandachtig zijn bijdragen tot het intensiveren van het gevoel van dankbaarheid om wat er nu is en tevens voorbereiden op de ervaring van dingen en personen die op elk ogenblik uit ons leven kunnen verdwijnen.
Het probleem is dat deze oefening door de meeste mensen niet wordt gemaakt, omdat dit als “zwarte gedachten” wordt bestempeld, die men onder het motto van “zelfzorg” maar best zo snel mogelijk kan vergeten door aan andere dingen te denken of méér “leuke dingen” te gaan doen. Sommige professionelen aarzelen niet hierin een teken van “depressie” te zien en stellen zelfs voor om de “zwarte gedachten” desnoods met medicatie te verdrijven.
Het is alsof u tijdens het rijden met de wagen een verdacht geluid uit de motor zou opmerken en uw garagist u zou voorstellen om de autoradio dan maar wat luider te zetten of dopjes in uw oren te stoppen om het verdachte geluid niet meer te horen.
Het gevolg is dat mensen in de illusie blijven leven dat alles altijd zal blijven zoals het was en onvoorbereid en geheel uit het lood geslagen zijn als dergelijke veranderingen, “trauma’s genaamd”, zich dan toch voordoen. Het “rouwproces” en de “rouwarbeid” die dan noodzakelijk is, is in feite niets meer dan de bewustwording die niet eerder werd gedaan.
De rouwarbeid bestaat er niet uit te proberen “het trauma te vergeten” of te wachten tot “de tijd zijn werk heeft gedaan”, maar uit het bewust en actief omgaan met de gebeurtenissen, met wijsheid en sereniteit. Men is daarmee klaar als men zonder lijden aan het gebeuren kan denken. In het geval van een overlijden, betekent dit dat men met liefde en dankbaarheid aan de overledene leert denken in plaats van met lijden. Lijden richt de aandacht op de eigen persoon. Liefde richt de aandacht op de ander. In de mate dat er liefde is, is er geen lijden. In de mate dat er lijden is, is er geen liefde.
maandag 5 januari 2009
Ik heb zoveel gegeven dat ik nu leeggegeven ben. Het wordt nu tijd dat ik eens wat terugkrijg!
De mythe van het geven is een interessante metafoor die evenwel misleidend is omdat er in de liefde nu eenmaal niets gegeven wordt en ook niets moet gekregen worden. Geven en krijgen horen thuis in de sfeer van de behoeftebevrediging. Bevrediging van behoeften is uiteraard niet verkeerd maar is geen liefde.
Hooguit zou men kunnen zeggen dat men aandacht geeft. Dat men zijn aanwezigheid geeft. En liefde is inderdaad dat: op een aandachtige wijze aanwezig zijn bij de ander, zonder bezig te zijn met de eigen behoeften. Maar aandacht en aanwezigheid zijn ook geen dingen die men geeft, maar zijn manieren van zijn. Men geeft geen aandacht, men is aandachtig. Men geeft geen aanwezigheid, men is aanwezig. Liefde is dan niet iets dat men geeft, maar iets dat men is. Men beslist om aandachtig en liefdevol te zijn.
Liefde is dan ook geen beloning omdat de ander zo goed of zo lief is geweest of zo goed aan onze behoeften heeft voldaan. Liefde is een houding van bewust aandachtig bij de ander zijn. En dat kan ook als die ander dingen doet die ons niet zinnen, die wij niet begrijpen, als de ander ons niet mag of ons zelfs vijandig gezind is.
Volgens Spinoza is liefde de vreugde om het zijn van de ander. Men is gewoon vervuld van vreugde omdat men getuige mag zijn van het zijn van de ander. Net zoals men door een bloem kan vervuld worden van vreugde, gewoon omdat die bloem er is en omdat men er bij mag zijn, omdat men er getuige van mag zijn.
Aangezien er niets gegeven of gekregen wordt, kan men ook niet teveel geven of leeggegeven zijn.
De mythe van het geven is een interessante metafoor die evenwel misleidend is omdat er in de liefde nu eenmaal niets gegeven wordt en ook niets moet gekregen worden. Geven en krijgen horen thuis in de sfeer van de behoeftebevrediging. Bevrediging van behoeften is uiteraard niet verkeerd maar is geen liefde.
Hooguit zou men kunnen zeggen dat men aandacht geeft. Dat men zijn aanwezigheid geeft. En liefde is inderdaad dat: op een aandachtige wijze aanwezig zijn bij de ander, zonder bezig te zijn met de eigen behoeften. Maar aandacht en aanwezigheid zijn ook geen dingen die men geeft, maar zijn manieren van zijn. Men geeft geen aandacht, men is aandachtig. Men geeft geen aanwezigheid, men is aanwezig. Liefde is dan niet iets dat men geeft, maar iets dat men is. Men beslist om aandachtig en liefdevol te zijn.
Liefde is dan ook geen beloning omdat de ander zo goed of zo lief is geweest of zo goed aan onze behoeften heeft voldaan. Liefde is een houding van bewust aandachtig bij de ander zijn. En dat kan ook als die ander dingen doet die ons niet zinnen, die wij niet begrijpen, als de ander ons niet mag of ons zelfs vijandig gezind is.
Volgens Spinoza is liefde de vreugde om het zijn van de ander. Men is gewoon vervuld van vreugde omdat men getuige mag zijn van het zijn van de ander. Net zoals men door een bloem kan vervuld worden van vreugde, gewoon omdat die bloem er is en omdat men er bij mag zijn, omdat men er getuige van mag zijn.
Aangezien er niets gegeven of gekregen wordt, kan men ook niet teveel geven of leeggegeven zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)